Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid. — Hof 's-Gravenhage 27 Mei 1907; W. 8580; P. v. J. 1908, 705; W. v. N. K. 1975; W. v. Not. 105.

2883. Daar bruikleening eerst tot stand komt op het oogenblik, waarop de zaak ten gebruike wordt gegeven, kan de uitleener, die weder in het bezit is gekomen der in bruikleen gegeven zaak, nimmer op grond van de overeenkomst van bruikleening verbonden zijn de zaak aan den bruikleener ten gebruike terug te geven. — Rechtb. Amsterdam 10 April 1894; P. v. J. 1895, 13.

2884. Waar slechts gebruik wordt gesteld, kan aan geen andere overeenkomst worden gedacht, dan aan die van bruikleening; deze heeft om niet plaats, derhalve is de vordering tot betaling van een geldsom als vergoeding voor dat gebruik niet gegrond op de wet. Het bewijs door gedaagde, dat de gewoonte medebrengt, dat als een voorwerp op verzoek wordt ter leen gegeven door iemand die dat voorwerp voor de uitoefening van zijn beroep noodig heeft, daarvoor door den gebruiker of leener vergoeding wordt gegeven, kan niet worden toegelaten, daar de wet omtrent bruikleening niet naar gewoonte verwijst en gewoonte geen recht geeft, dan alleen als de wet daarop verwijst. — Kantong. Haarlem 1 Juni 1888; P. v. J. 1888, 74.

2885. De bruikleener is verplicht de hem in gebruik gegeven voorwerpen na het eindigen der overeenkomst aan den uitleener op diens vordering terug te geven, onverschillig wie intusschen eigenaar dier voorwerpen geworden is. — Hof Amsterdam 27 Juni 1889; W. 5799; P. v. J. 1889, 113.

2886. De overeenkomst van bruikleening, gevolgd door werkelijke terleen-

geving, geeft den leener geen zakelijk recht van gebruik, maar enkel een persoonlijk recht tegen den uitleener, op wieh dan ook geen verplichting tot vrijwaring wegens daden van derden rust. — Hof Amsterdam 13 April 1894; W. 6523; P. v. J. 1894, 57.

2887. Iemand, aan wien een voorwerp ten gebruike wordt gegeven ten einde dit met het oog op een lateren koop te beproeven, kan niet worden gezegd dit voorwerp in bruikleen te hebben gekregen. — Kantong. Enschedé 5 October 1899; W. 7407; Mb. Dw. XVI, 1.

Art. 1778.

2888. Door een akte van bruikleen kan niet bewezen worden, dat de goederen in die akte genoemd, het eigendom zijn van den uitleener, daar niets belet eens anders goederen in bruikleen te geven. — Rechtb. Rotterdam 21 Mei 1894; P. v. J. 1895, 73.

In gelijken zin Rechtb. Amsterdam 17 Mei 1892; P. v. J. 1893, 19 en 11 Februari 1896; W. 6803.

2889. Uit dit artikel volgt, dat hij die bij het uitleenen eener zaak eigenaar is, zulks ook blijft, al is de zaak overgegaan in de handen van hem, die haar in bruikleening ontving, doch niet dat de uitleener per se eigenaar moet zijn, of dat alleen de eigenaar bevoegd zou zijn een zaak in bruikleening te geven. Echter volgt wel uit het bestaan eener overeenkomst van bruikleening, dat de bruikleener slechts houder is der bij die overeenkomst bedoelde goederen en de uitleener daarvan het bezit heeft, welk bezit, met het oog op art. 2014 B. W. voldoende is om hem te beschouwen als eigenaar en een actie ex art. 456 Rv. te rechtvaardigen. — Hof 's-Gravenhage 13 Mei 1895; W. 6696; P. v. J. 1895, 73.

Sluiten