Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tweede Afdeeling.

Van de verpligtingen van dengenen, die iets ter bruikleening ontvangt.

Art. 1781.

2890. De verplichting in dit artikel aan den bruikleener opgelegd om als een goed huisvader voor de bewaring en het behoud van het geleende te zorgen, verplicht hem niet het geleende tegen brandschade te verzekeren, daar verzekering het goed niet bewaart, noch behoudt, maar slechts schadeloosstelling geeft. Brand is, zoolang niet blijkt, dat hij te wijten is aan opzet, onvoorzichtigheid of nalatigheid, te beschouwen als een bloot toeval, waarvoor de bruikleener buiten de gevallen van dit artikel niet aansprakelijk is. — Rechtb. Groningen 30 Maart 1894; W. 6555; P. v. J. 1894, 35; Mb. Dw. X, 2.

2891. Wie iets in bruikleen heeft ontvangen, is niet voor elke schade aan dat goed aansprakelijk. Wil de uitleener beweren, dat de leener wel voor die schade aansprakelijk is, dan zal hij moeten bewijzen, dat het geleende voor een ander dan het gewoon gebruik gebezigd is, of eenige schuld bij den leener moeten bewijzen. — Rechtb. Zutphen 21 October 1897; W. 7098; Mb. Dw. XIV, 2.

Art. 1782.

2892. Mr. H. L. Drucker. Aansprakeheid des bruikleerjers voor toeval. (Art. 1782 B. W.). — R. M. III, 136.

Art. 1784.

2893. Waar glasruiten uitgeleend zijn, welke bestemd waren tijdelijk dienst te doen voor een te maken serre, is de leener aan den uitleener geen schade¬

vergoeding verschuldigd voor het breken van een deel dier ruiten, veroorzaakt door het zetten en later weder uitnemen, daar dit breken als een waardevermindering door het gebruik is te beschouwen, waarvoor de leener alleen aansprakelijk is, indien hem schuld is te wijten. — Kantong. Terborg October 1891; W. 6582.

Derde Afdeeling.

Van de verpligtingen van den uitleener.

Art. 1787.

2894. De brouwer is bevoegd de vaten, waarin hij het bier aan den afnemer verzond, terug te vorderen zoodra er zooveel tijd verloopen is, dat het bier ge. acht kan worden verbruikt te zijn. — Rechtb. Amsterdam 8 Februari 1883; P. v. J. 1883, 20, Bijbl.

2895. De uitleener is bevoegd om in de gevallen, welke de wet opnoemt, de in bruikleen gegeven goederen terug te vorderen, maar niet om betaling harer waarde te vragen, althans zoolang die goederen bestaan. — Rechtb. Amsterdam 21 Juni 1887; P. v. J. 1888, 22.

2896. Tegen de actie van den eigenaar eener biertent, die haar terugvordert van dengene, aan wien hij haar voor een onbepaalden tijd in bruikleen gegeven heeft, staat de omstandigheid niet in den weg, dat bij de opzegging der overeenkomst van bruikleen slechts één dag tijd werd gelaten, als de actie zelve vele maanden na de opzegging is ingesteld. — Rechtb. 's-Gravenhage 3 Mei 1889; W. 5741.

2897. Tusschen partijen tot stand gekomen zijnde- eene overeenkomst van bruikleen van een stuk zolder, wordt deze overeenkomst door den eigenaar van dien zolder niet geschonden, wanneer een ander de op het stuk zolder weg-

Sluiten