Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan dit beweerd worden van een overeenkomst van verbruikleen, die haren oorsprong vindt in een vroegere rechtsverhouding. — H. R. 19 April 1894; W. 6491; P. v. J. 1894, 43; N. R. CLXVI, 321. Hof 's-Gravenhage 20 November 1893; P. v. J. 1894, 43.

2906. De overeenkomst van verbruikleen kan door schuldvernieuwing worden tot stand gebracht; indien de leener uit kracht van een anderen titel reeds in het bezit der te leenen zaak is, behoeft de werkelijke overgave niet te geschieden volgens het beginsel van art. 667, alin. 2 B. W. — Hof 's-Hertogenbosch 15 December 1895; W. 6908.

2907. Het bijkomend beding bij eene overeenkomst van geldleening met beding van renten, dat de geldleener zal deelen in de winst van de onderneming, waarvoor het geld is geleend, doet het karakter van die overeenkomst (verbruikleening) niet verloren gaan en speciaal is het onjuist te beweren, dat die overeenkomst daardoor noodzakelijk het karakter van een maatschap zou aannemen. — H. R 23 December 1881; W. 4725; v. d. H., B. R. XLVII no. 1751, 104.

2908. Verbruikleening is een unilateraal contract, waarvan de ontbinding wegens wanbetaling der bedongen renten niet gevraagd kan worden. — Rechtb. Dordrecht 19 September 1883; W. 4965; R. W. v. N. 486.

In dezelfden zin Rechtb. Amsterdam 20 December 1887; P. v. J. 1887, 55.

2909. Indien vaststaat, dat een schuld voortspruit, ten deele uit genoten gelden, ten deele uit genoten goederen, kan, wat de goederen betreft onmogelijk aan een overeenkomst van verbruikleening gedacht worden en moet dus, indien

Cremers, Aant. B. W.

eensdeels de vordering zich grondt op verbruikleening en anderdeels niet vaststaat in hoeverre de schuld uit genoten gelden voortspruit, die vordering niet ontvankelijk worden verklaard. — Rechtb. Alkmaar 28 November 1889; W. v. N. R. 1046.

2910. Waar bij eisch gesteld is, dat de gedaagde heeft erkend een bepaalde som van den eischer ter leen te hebben opgenomen, betreft de schulderkenning een overeenkomst uit verbruikleening en is de vordering niet onrechtmatig. — H. R. 10 Juni 1892; W. 6197; P. v. J. 1892, 52.

2911. Hoewel in eene schuldbekentenis de overeenkomst van verbruikleen niet als schuldoorzaak wordt genoemd, zoo kan toch, als. dat stuk inhoudt eene erkenning van ontvangst eener bepaalde geldsom, eene verplichting tot terugbetaling en tot betaling eener jaarlijksche rente van geen andere overeenkomst dan van verbruikleening sprake zijn. — Rechtb. Leeuwarden 16 Februari 1899; P. v. J. 1899, 43.

2912. De overeenkomst, houdende dat eene uit een andere oorzaak voortvloeiende geldschuld zal worden omgezet in eene rentegevende leenschuld, is verbruikleening. — Rechtb. Leeuwarden 8 September 1892; W. 6352.

In denzelfden zin Hof Amsterdam 3 Maart 1893; W. 6354; P. v. J. 1893, 79; T. v. N. XI, 89; R. W. v. N. 774. Hof 's-Hertogenbosch 12 Maart 1895; W. 6643.

2913. Een overeenkomst van verbruikleening van geld, waarbij het beding is gemaakt, [dat het kapitaal niet mag worden opgevorderd dan bij wanbetaling der rente, is in strijd met den aard van verbruikleening. — H. R. 22 Juni

50*

Sluiten