Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoolang de interest tijdig wordt betaald, heeft de uitleener niet bedoeld in strijd met het wezen der overeenkomst van verbruikleening zich en zijne opvolgers in aeternum te verbinden, zoolang slechts de wederpartij aan hare verplichtingen zou voldoen, maar moet hij alleen geacht worden uit persoonlijke welwillendheid aan der leener zekerheid te hebben willen geven, dat hij door den uitleener zelf niet lastig zou worden gevallen zoolang hij zijne verplichtingen nakwam. — Rechtb. Leeuwarden 16 Februari 1899; P. v. J. 1899, 43. (Verg. no 2913.)

Art. 1798.

2929. Mr. N. P. van Nooten. De schuldeischer eener geldleening met het beding van dit artikel behoeft alleen het feit der leening te bewijzen. — N. R. B. 1879, B. 11.

2930. Dit artikel is ook toepasselijk op het geval, dat de kooper de koopsom schuldig is gebleven onder verbintenis die te zullen voldoen zoodra hij daartoe in staat zal zijn. — Rechtb. Utrecht 22 October 1890; W. 5946; R. W. v. N. 698.

2931. Waar een geldleening is aangegaan met bepaling, dat de schuldenaar het geld zal teruggeven, zoodra hij daartoe bij machte zal zijn, daar is de beteekenis dezer bepaling niet deze, dat de verplichting tot teruggave afhankelijk wordt gesteld van een voorwaarde waarvan het intrekken door den schuldeischer moet bewezen worden, maar slechts deze, dat het aan den rechter zal vrijstaan om, indien het hem oorbaar mocht voorkomen, den schuldenaar eenig uitstel te verleenen. — Hof Amsterdam 13 Januari 1893; W. 6314; P. v. J. 1893, 51; R. W. v. N. 767; W. v. N. R. 1225.

2932. Een overeenkomst, houdende, dat de eene partij verklaart schuldig te zijn aan de andere partij zekere som, zich verbindende om daarvan rente en aflossing te betalen, zoo zij daartoe in staat is, terwijl de andere partij zich verbindt om geen rente of aflossing te vorderen, zoo de eerst bedoelde partij daartoe niet in staat is, — kan niet worden beschouwd als een dading, maar is een overeenkomst als in dit artikel bedoeld; derhalve behoeft de uitleener bij opvordering van het geleende niet te bewijzen, dat de leener tot aflosssing in staat is, maar staat het aan den rechter om dit noodig oordeelende aan den leener nog eenig uitstel te verleenen. — Rechtb. 's-Gravenhage 21 Februari 1899; W. 7327.

2933. Als een geldleening is aangegaan onder beding, dat de leener het geleende geheel of gedeeltelijk zal teruggeven, zoo dikwijls hij daartoe door erfenis of door andere financiëele omstandigheden in staat zal zijn, dan moet de uitleener als hij het geleende terugvordert, op straffe van niet-ontvankelijkheid zijner vordering stellen, dat zich omstandigheden als bovenbedoelde, waardoor de leener in staat is gesteld het geleende terug te geven, hebben voorgedaan. Stelt of bewijst hij het bestaan van zoodanige omstandigheden niet, dan kan hij in hetzelfde geding niet meer verzoeken, dat de rechter den tijd van terugbetaling zal bepalen ; immers dergelijk verzoek zou een verboden verandering van eisch inhouden. — Rechtb. Amsterdam 29 Juni 1899; P. v. J. 1899. 77.

2934. Van een toepassing van dit artikel zal eerst sprake kunnen zijn als de tot teruggaaf aangesproken debiteur verklaart niet tot die teruggaaf in staat te zijn. — Rechtb. Zwolle 6 December 1893; W. 6432; Mb. Dw. IX, 12.

Sluiten