Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van rekening uit te keeren, hetgeen eerst zal kunnen geschieden, nadat dit slot is vastgesteld. — Hof 's Gravenhage 14 April 1909; W. 8878; P. v. J. 1909, 917; W. v. N. R. 2073; W. v. Not.229.

Art. 1843.

3110. Hoewel de wet niet met zoovele woorden de verplichtingen oplegt aan den zich noemenden lasthebber om derden met wie hij als lasthebber handelde, in te staan voor de waarheid van zijne voorgewende kwaliteiten en hen dus te dier zake te vrijwaren, zoo mag toch het bestaan dier verplichting worden afgeleid uit de bepaling van dit artikel. — Rechtb. Amsterdam 18 October 1892 en 10 Januari 1893; P. v. J. 1893, 27.

3111. De lasthebber is gehouden dengene, met wien hij namens den lastgever heeft gehandeld, te vrijwaren voor de gevolgen van de door hem met dien derde gesloten overeenkomst, voor het geval omtrent die overeenkomst zelve of omtrent de gevolgen daarvan tusschen den derden en den lastgever verschil ontstaat. — Rechtb. Amsterdam 9 November 1899; P. v. J. 1900, 64.

3112. Buiten het geval eener uitdrukkelijke overeenkomst, rust op dengene, die zich voordoende als lasthebber, met een derde heeft gehandeld, tegenover dien derde niet de verplichting om zijne lastgeving te bewijzen, wanneer die door den beweerden lastgever wordt ontkend. — Rechtb. Rotterdam 11 Juni 1906; W. 8543; W. v. N. R. 1964; W. v. Not. 99.

3113. Wanneer een lasthebber zijne lastgevers niet heeft genoemd, dan kan ook niet worden aangenomen, dat hij namens die lastgevers gehandeld heeft en kan hij dus ter zake van zijne han¬

delingen met derden door deze persoonlijk worden aangesproken. — Hof Amsterdam 9 Februari 1906; N. M. v. H. XVIII, 58.

Derde Afdeeling.

Van de verpligtingen van den lastgever.

Art. 1844.

3114. Ook al voert iemand een pretenselijk op zijn last gesloten overeenkomst ten deele uit, dan kan er toch geen sprake zijn van bekrachtiging dier overeenkomst, als niet blijkt, dat de beweerde lasthebber de overeenkomst gekend heeft. — Rechtb. Groningen 15 Juni 1894; W. 6576.

3115. De aansprakelijkheid van den lastgever voor verbintenissen door den lasthebber aangegaan, blijft in haar geheel, ook waar een ambtenaar rechtstreeks in kort geding wordt geroepen, ten einde tengevolge van door hem op last der regeering gepleegde handelingen onverwijld voorloopige voorzieningen te hooren bevelen. — H. R. 1 Mei 1896, concl.conf.; W. 6811; P. v. J. 1896, 64.

3116. De lastgever wordt door de handelingen van den lasthebber slechts verbonden, indien zoowel de lasthebber als de derde de bedoeling hebben, een verbintenis ten laste van den lastgever te vestigen. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 4 Maart 1898; W. v. N. R. 1495.

3117. Uit de bepalingen omtrent lastgeving mag, ook met het oog op art. 1393, worden afgeleid, dat, als de lasthebber heeft gehandeld namens den lastgever, deze verplicht is na te komen de verbintenis, door den lasthebber overeenkomstig den hem verleenden last aangegaan, en de lastgever alzoo rechtstreeks aansprakelijk is jegens dengene, met

Sluiten