Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

akte, twee daarin genoemde personen zich als solidaire borgen onder afstand van alle voorrechten door de wet aan borgen toegekend, verbinden en slechts een daarvan die akte onderteekend heeft, is de andere niettemin als borg verbonden. — Hof Leeuwarden 4 Februari 1891; P. v. J. 1891, 26.

3165. Indien men zich per brief als borg heeft gesteld, daarbij voegende: „de conditiën zullen wij dan wel bespreken" en die conditiën later niet zijn besproken, dan is de borgschuld te allen tijde en voor het geheel op vorderbaar. — Hof Amsterdam 26 Juni 1891; W. 6084; P. v. J. 1891, 82.

3166. Bij de betwisting van een borgtocht, waar geschrift bestaat, moeten de woorden, waarin dat stuk vervat is, beslissen of de overeenkomst aan borgstelling voldoet. Als in dat stuk de zoogenaamde borg zich verbindt, niet om den crediteur uit eigen middelen te zullen betalen bij wanbetaling van den debiteur en als verder dat stuk inhoudt, dat de gelden zullen genomen worden uit de kas van zekere firma, waarvan de debiteur en de zoogenaamde borg leden waren, bevat dit een goedkeuring van den mede-firmant om de leenschuld uit de kas der firma te voldoen, doch geen borgstelling om die schuld uit eigen beurs te betalen. — Rechtb. Amsterdam 31 Maart 1892; W. 6200.

3167. Een overeenkomst in alle opzichten het karakter van een borgtocht vertoonende, verliest dat karakter niet, als de borg zich verbindt te zijner tijd het verschuldigde als zijn eigen schuld te zullen voldoen. — Hof's-Gravenhage 13 November 1893; W. 6530; P. v. J. 1894, 17.

3168. De borg van den huurder blijft

tegenover den verhuurder aansprakelijk voor verschenen huur, zoolang de huurovereenkomst niet is ontbonden, ook al had de ontbinding in rechten kunnen worden gevorderd op grond, dat de verhuurder niet aan zijne verplichting, om het gehuurde te leveren, had voldaan. — Kantong. Lemmer 16 November 1893; W. 6428.

3169. Het beweren van den borg, eerst dan tot betaling van het in de akte van borgtocht genoemd bedrag verplicht te zijn, zoodra het daarin genoemd contract wettig is afgeloopen, wat vooralsnog niet het geval is, omdat nog geen verrekening heeft plaats gehad, gaat niet op, omdat de ontbinding van een contract aan de verrekening vooraf gaat en de verrekening niets anders dan een gevolg der ontbinding is. Hij, die zich voor een firma borg stelt, wordt geacht met de handelingsbevoegdheid van die firma bekend te zijn. — Rechtb. Groningen 29 December 1893; W. 6559.

3170. Als bewezen is, eensdeels dat iemand zich slechts als borg verbond voor het geval een derde mede als zoodanig optrad en anderdeels, dat die derde geweigerd heeft zulks te doen, kan de door den eerstbedoelden persoon gestelde borgtocht geen gevolg hebben. — Kantong. Sliedrecht 22 Februari 1894; P. v. J. 1894, 43; Mb. Dw. X, 2; W. v. N. R. 1280.

3171. Voor de geldigheid eener borgstelling is het niet noodig, dat uit de borgstelling uitdrukkelijk blijkt, dat de crediteur haar heeft aangenomen. — Rechtb. Rotterdam 21 Juni 1895; W. 6691.

3172. Voor de geldigheid eener borgtocht is niet noodig, dat blijkt voor welke schuld de borgstelling is gegeven; een borgstelling kan ook strekken tot

Sluiten