Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarin de hoofdschuldenaar door eenen buitenlandschen rechter jegens den schuldeischer is veroordeeld. — Rechtb. Roermond 3 April 1902; W. 7801.

Art. 1863.

3213. De vordering wordt terecht ingesteld tegen de gezamenlijke erfgenamen van den borg, ook na de scheiding en deeling van diens nalatenschap. — Rechtb. Amsterdam 15 Maart 1888; P. v. J. 1888, 109.

3214. P. A. Rutgers van der Loeff. Overgang van de verbinteniswet van den credietborgtocht op erfgenamen — Ac. Pr. Groningen 1895.

3215. Uit artt. 1354 en 1863 B. W. volgt, dat bij den credietborgtocht de erfgenamen van den borg tegenover den crediteur ook aansprakelijk zijn voor schulden door den debiteur aangegaan na het overlijden van den borg. — Rechtb. Groningen 1 Mei 1896; W. 6981; P. v. J. 1896, 56. Rechtb. 's-Gravenhage 15 Juni 1897; W. 7048; T. v. N. XVI, 28.

Art. 1864.

3216. In zaken van koophandel is het oordeel over de genoegzaamheid der aangeboden borgen geheel aan de prudentie des rechters overgelaten. — Rechtb. Amsterdam 19 Maart 1880; W. 4551.

Art. 1865.

3217. Uit liet enkele feit, dat een koopman borg blijft voor een ander koopman, volgt niet, dat er in den zin van dit artikel sprake kan zijn van een zaak van koophandel. — Rechtb. Amsterdam 29 Januari 1901; W. 7648; Mb. Dw. XVIII, 2.

3218. Bij de beoordeeling der vraag of een borg, die geene inschrijvingen Grootboek bezit, in den zin van art. 1865 B. W. genoegzaam gegoed is, moet worden uitgegaan van het standpunt, dat in ieder geval de aangeboden zekerheid ruim voldoende moet zijn. Dit moet worden aangenomen, wanneer de waarde van het vast goed des borgs, berekend naar den maatstaf in de Vermogensbelasting vastgelegd, mogelijke schade ruimschoots dekt. — Rechtb. Utrecht 13 Januari 1909; W. 9008.

Art. 1866.

3219. Indien één der drie hoofdelijke en voor het geheel aansprakelijke borgen onvermogend is geworden, en dit reeds vó&r het onstaan der schuld, kan de schuldeischer vorderen, dat in diens plaats een nieuwe borg worde gesteld, maar hij is, ook ten aanzien der medeborgen, daartoe niet verplicht, zoodat de borg, die de geheele schuld betaald heeft, op zijn medeborg kan verhalen, niet slechts een derde der door hem voor dezen, maar ook de helft van éénderde der door hem voor den onverinogenden borg aan den schuldeischer betaalde gelden. — H. R. 30 April 1886; W. 5332; R. W. v. N. 588; N. R. CXLII, § 59, 373; v. d. H., B. R. Lil, 179.

Tweede afdeeling.

Van de gevolgen van borgtogt tusschen den schuldeischer en den borg.

Art. 1868.

3220. J. B. W. van Hugenpoth tot den Beerenclauw. De gevolgen van borgtocht tusschen den schuldeischer en den borg. — Ac. Pr Leiden 1890.

3221. De aansprakelijkheid van den borg bij gebreke van den schuldenaar. Art. 1868 B. W. — R. W v. N. 599.

Sluiten