Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 1894.

3321. Een hoofdelijke debiteur wordt niet ontslagen door eene dading tusschen den crediteur en een der mede-debiteuren. — Rechtb. 's-Gravenhage 9 Juni 1909; W. 8897.

Art. 1896.

3322. Wanneer nietigheid gevraagd

wordt van eene dading ten aanzien van het tot eene gemeenschap behooren van zekere effecten, die nimmer tot die gemeenschap zouden hebben kunnen behooren, moet voor de toewijzing der vordering komen vast te staan, dat de dwaling op het oogenblik van het aangaan der dading bestond. — Rechtb. Maastricht 25 Juni 1908; W. v. N. R. 2042.

Sluiten