Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANVULLINGEN EN VERBETERINGEN

In no. 243 te lezen achter W. 6512: W. v. N. R. 1284.

Na no. 284 te lezen:

Eene schuldbekentenis, waaronder door den hoofdelijken mede-schuldenaar eigenhandig het bedrag in voluit geschreven letters is goedgekeurd, levert tegen dezen volledig bewijs op, ook al levert die schuldbekentenis tegen den geldopnemer zelf, wegens het ontbreken van diens schriftelijke goedkeuring slechts een begin van bewijs bij geschrifte op. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 3 November 1911; W. 9349.

Achter no. 400 te voegen: Bevest. door H. R. 3 Mei 1912, concl. conf.; W. 9358.

Na no. 444 te lezen:

Als slechts melding wordt gemaakt van eene vergoeding van f 2.50 per

week, zonder dat sprake is van den tijd, tot hoelang de overeenkomst werd aangegaan, is het een weekhuur, per week te betalen en is het getuigenbewijs toelaatbaar, al beloopt het gevorderde bedrag ook meer dan f 300.— Rechtb. Amsterdam 7 April 1892; W. 6202.

Na no. 451 te lezen:

Indien de te bewijzen overeenkomst eene huurovereenkomst is, loopende over driejaren tegen een huurprijs van f250.—■

per jaar, bedraagt het onderwerp der overeenkomst f 750.— en kan derhalve krachtens art. 1933 B. W. de overeenkomst niet door getuigen worden bewezen. — H. R. 1 Maart 1912, concl. conf.; W. 9324.

Na no. 667 te lezen:

Art. 1951 verbiedt de wraking der I daarin genoemde personen in de daargemelde gedingen, wanneer de grond der wraking onafscheidelijk is van hunne bijzondere hoedanigheid.

Mitsdien kan de moeder in een procedure tegen den beweerden vader

van het kind tot alimentatie ingesteld., niet worden gewraakt op den onaf¬

scheidelijk aan haar moederschap verbonden grond, dat zij belang heeft bij den afloop der tegen den beweerden vader van haar kind ingestelde procedure.

— H. R. 3 Mei 1912, concl. contra; W. 9367.

Na no. 764 te lezen:

De beoordeeling der beteekenis en der kracht van gebezigde vermoedens is geheel overgelaten aan den rechter, die over de feiten oordeelt en staat niet ter beoordeeling van den cassatie-rechter.

— H. R. 28 Juni 1912, concl. conf.; W. 9364.

Achter no. 1001 te voegen: H. R. 8 Maart 1912, concl. conf.; W. 9359.

Sluiten