Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. J. C. Post. De leer van den bewijslast in rechtspraktijk en wetgeving.

— Ac. Pr. Leiden 1893. Aangek, door mr. J. F. Houwing in W. 6536; in R. M. XIII, 241.

10. Mr. J. P. Moltzer. De ontworpen eerste twee titels van ons toekomstig burgerlijk bewijsrecht. — Them. 1904, 213, 507.

11. Prof. mr. J. F. Houwing. Het Bewijsrecht in de Tweede Kamer. — W. v. N. R. 1943, 1945, 1948, 1969 en 1970.

12. Wetsontwerp ter nadere regeling van het bewijs in burgerlijke zaken.

— Not. W. 210; W. v. N. R. 1768 en 1769.

Memorie van toelichting. — Not. W. 212, 215, 216—220.

Herziening van ons burgerlijk bewijsrecht. — W. 7966 en 7968.

13. Ontwerp van wet tot herziening van wettelijke bepalingen vereischt ter invoering van de wijziging van de eerste zes titels van het vierde boek van het Burgerlijk Wetboek en van daarmede verband houdende artikelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. - W. 8479.

Memorie van toelichting. — W. 8479 en 8480.

14. Herziening van het burgerlijk bewijsrecht. — W. 8511, 8513, 8517, 8519 en 8521.

15. Bij ontkentenis door gedaagde van de feiten door den eischer tot grondslag zijner vordering gesteld, kan deze niet volstaan met een algemeen aanbod van bewijs; hij is verplicht de bewijsmiddelen te formuleeren, waarmede hij de gestelde feiten bewijzen wil. —

Rechtb. Zwolle 30 October 1881; W. 4762.

16. Als het bewijs door getuigen is uitgesloten, kan geen bewijs worden aangeboden door alle middelen rechtens, omdat de overige bij de wet erkende bewijsmiddelen kunnen worden aangewend zonder dat daartoe verlof van den rechter wordt vereischt. — Rechtb. Amsterdam 27 December 1881; N. R. B. 1881, A. 239.

17. Een aanbod van bewijs „door alle middelen rechtens" is in rechten waardeloos. — Hof Amsterdam 27 November 1891; W. 6125.

In denzelfden zin Rechtb. Leeuwarden 27 Juni 1895; W. 6711; P. v. J. 1895, 77.

18. Uit dit artikel volgt niet, dat de rechter verplicht zou zijn eene bewijsvoering toe te laten, die naar zijne opvatting niet tot de beslissing der zaak kan leiden. De partij, die tot eene bewijslevering wil toegelaten worden, moet opgeven van welke middelen hij wil gebruik maken. Aan dat vereischte voldoet niet de vordering om te worden toegelaten tot bewijslevering door alle middelen rechtens. — H. R. 21 Februari 1896, concl. conf.; W. 6774; P. v. J. 1895, 38; N. R. LXXII, 200. Rechtb. 's-Gravenhage 29 October 1895; W. 6741; P. v. J. 1895, 38. Dezelfde Rechtb. 21 Maart 1896; W. 6840. Dezelfde Rechtb. 2 Februari 1897; W. 6958.

19. Een aanbod om al wat de Rechtbank te bewijzen zal opleggen, te bewijzen door alle middelen rechtens, speciaal door getuigen, behoort als te vaag te worden voorbijgegaan. — Rechtb. Haarlem 17 Maart 1907; W. 8913.

20. Een bewijsaanbod „door alle

Sluiten