Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door schuld van een der gedingvoerende partijen te hebben aangenomen, daaraan toevoegt, dat dus de aansprakelijkheid dier partij vaststaat, tenzij zij aantoont het bestaan van haar van die aansprakelijkheid ontheffende omstandigheden. — H. R 10 December 1909, concl. conf.; W. 8945; P. v. J. 1910, 907; N. R, CCXIII, 264.

30. Indien bij de overeenkomst tusschen partijen een bepaald bewijsmiddel is voorgeschreven, gaat het niet aan bij gemis daarvan, van de overeenkomst af te wijken en voor een schriftelijk bewijs, zooals gevorderd wordt, een mondeling in de plaats te stellen. — Rechtb. Amsterdam 13 April 1882; W. 4816; N. R. B. 1881, B. 25.

31. Bewezen zijnde de bij dagvaarding gestelde overeenkomst, zal de gedaagde, die beweert, dat daarenboven nog een beding in de overeenkomst was opgenomen, uit kracht waarvan de eischer geen recht zoude hebben op gevorderde betaling, het bestaan van dat beding moeten bewijzen. — H. R. 1 November 1901, concl. conf.; W. 7672; P. v. J. 1901, 94; N. R. CLXXXIX, 126; v. d. H., B. R. LXVII, 510.

32. De verzekerde zal casu quo de schade-oorzaak moeten bewijzen, wanneer de polis omstandig vermeldt, waarin het risico, dat de verzekeraar op zich neemt, bestaat. — Hof 's-Gravenhage 10 October 1902; W. 7881.

33. Iemand bewerende, dat tengevolge eener ontbindende voorwaarde eene overeenkomst is komen te vervallen, moet bewijzen, dat de gebeurtenis, waarop die voorwaarde doelde, inderdaad is voorgevallen. — Rechtb. Rotterdam 4 November 1901; P. v. J. 1901, 94.

34. Geen bewijsvoering behoeft plaats te hebben van een feit, hetwelk tegen een partij wordt ingebracht en door deze op vormelijke wijze volledig wordt erkend, al betwist zij daarbij ook de gevolgtrekkingen, die de wederpartij uit dat feit had willen zien afgeleid — Hof Amsterdam 28 Juni 1878; W. 4310.

35. Dit artikel verbiedt den rechter alleen voor bewezen te houden ontkende feiten; zoodat geen bewijs noodig is van feiten, die niet worden ontkend. — H. R. 25 Maart 1881; W. 4662; N. R. 1881, I, 244. Id. 2 Februari 1883; W. 4872; v. d. H., B. R. XLVII, 142. Id. 3 November 1892; W. 6267.

36. Dit artikel is niet van toepassing, waar het niet geldt een beroep op feiten, die worden ontkend. — H. R. 12 December 1890, concl. conf; W. 5971; N. R. CLVI, 325; v. d. H., B. R. LVI, 297.

37. De beslissing omtrent de waarde van onbetwiste feiten voor het bewijs evenals het oordeel of feiten, waarvan het bewijs is aangeboden, waren ter zake dienende en afdoende, behoort uitsluitend aan den rechter, die over de feiten heeft te beslissen; de artt. 1902 en 1903 kunnen niet zijn geschonden door de beslissing, dat een niet ter zake dienend en afdoend bewijsaanbod moet worden voorbijgegaan. — H. R. 15 April 1898, concl. conl.; W. 7115; P. v J. 1898, 40.

38. Dit artikel maakt geen onderscheid tusschen positieve en negatieve feiten, zoodat ook op dengene, die zich beroept op een negatief feit, de last rust van het bewijs van dat feit. — Rechtb. Zwolle 10 April 1901; W. 7617.

39. Ook hij, die zich in rechten op een negatief feit beroept, moet dat

Sluiten