Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het onderpand slechts verbonden was voor eene schuld van zeker bedrag plus de renten, dan zal de pandnemer, wil hij op de opbrengst van het onderpand eene veel grootere schuld kunnen verhalen, hebben te bewijzen, dat het onderpand ook voor die veel grootere schuld was verbonden. — Rechtb. Rotterdam 24 Februari 1908; P. v. J. 1908, 790.

57. Op het bewijs van het bestaan eener gewoonte, waarnaar de wet verwijst, zijn de regels omtrent het wettelijk bewijs niet toepasselijk. De rechter ls bevoegd uit eigen wetenschap het bestaan eener gewoonte aan te nemen.

H. R. 30 November 1888; W. 5652.

58. De rechter mag het bewijs der feiten niet putten uit hetgeen hem uit vroegere tusschen partijen gevoerde procedures bekend is, indien niet de stukken dier procedures in het geding worden gebracht. — Rechtb. Amsterdam 19 Mei 1892; P. v. J. 1893, 37.

59. De rechter mag niet door eigen wetenschap of bijwege van algemeene bekendheid als vaststaande aannemen, dat een vennootschap een bijkantoor, met het hoofdkantoor verbonden bezit, en dat dit bijkantoor door een gemachtigde of agent van de gedaagde vennootschap bestuurd wordt. — Rechtb. Roermond 27 November 1892; W. 6783.

60. De rechter is niet geroepen om, waar eene partij verlof vraagt, „de posita van den eisch door alle middelen, bij de wet en polis veroorloofd te bewijzen", zonder dat dergelijk verlof voor eenig bewijsmiddel in het bijzonder gevraagd wordt, aan die partijen verlof te geven zich van een bewijsmiddel te bedienen, dat haar wellicht voor het op haar rustend bewijs dienstbaar kan zijn.

— Rechtb. Amsterdam 18 November 1892 ; W. 6299; P. v. J. 1893, 85.

61. De rechter heeft geen acht te slaan op een bewijsmiddel van den eischer, strekkende tot overlegging van bescheiden, omdat de eischer paratus in judicio moet optreden en hij bevoegd is en het recht heeft om alle bescheiden over te leggen, welke zijne vordering kunnen staven. — Rechtb. 's-Gravenahage 27 September 1896; W. 6922.

62. Wanneer uit de beslissing des rechters, die over de feiten heeft te oordeelen, blijkt, dat hij beweringen van een der partijen omtrent de identiteit van zekere waar niet heeft aangemerkt als eene ontkentenis van die identiteit, kan in cassatie ook niet worden geklaagd over schending van art. 1902 B. W. op grond, dat de rechter de voorbedoelde identiteit niettegenstaande zij werd ontkend, als vaststaande aannam. — H. R. 14 Juni 1907, concl. conf.; W. 8565; P. v. J. 1907, 668; N. R CCVI, 318.

63. Een technisch oordeel mag door den rechter worden ontleend aan elke hem daartoe voldoend voorkomende bron; de wet vereischt zelfs zijnerzijds geen rekenschap omtrent de gebezigde bronnen; daartoe kan dus ook dienen eigen wetenschap des rechters omtrent welker voldoendheid de wet zich in den regel op 's rechters besef van verantwoordelijkheid verlaat. — H. R. 10 December 1909, concl. conf.; W. 8945; P. v. J. 1909, 907; N. R. CCXIII, 264 en H. R. 24 Juni 1910, concl. conf.; W. 9049; P. v. J. 1910, 971.

64. Waar de eischer ontruiming vordert, op grond van geëindigde weekhuur, moet de gedaagde zijne tegenovergestelde bewering, dat de huur niet is

Sluiten