Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt, door den eischer zelfstandig is bewezen, maar tusschen partijen in confesso is, dat de voorwaarden van afbetaling dier schuld zijn gewijzigd, zonder dat echter eenstemmigheid bestaat over den inhoud dier wijziging, dan moet de eischer bewijzen, dat ook na die wijziging zijn vorderingsrecht bestaat. — Kantong. Haarlem 29 Januari 1909; W. 9183.

75. Indien eene instelling van weldadigheid in eene procedure pertinent ontkent, dat zij volgens de armenwet tot de burgerlijke instellingen van weldadigheid zou behooren, dan moet de wederpartij, die het tegendeel beweert, dit ook bewijzen. — Rechtb. Rotterdam 15 Maart 1895; W. 6633.

76. Op den eischer rust het bewijs van het bestaan der ontkende persona standi in judicio. — Rechtb. Amsterdam 14 December 1901; W. 7582; Mb. Dw. XVII, 2.

77. Wanneer is gedagvaard eene vennootschap onder firma onder mededeeling welke personen deel uitmaken van die vennootschap en dan een dier personen op de dagvaarding verschijnt en in rechten het bestaan der vennootschap ontkent, dan moet de eischer, wil hij in zijne vordering kunnen slagen, het bestaan der door hem gedagvaarde vennootschap onder firma bewijzen. — Kantong. Rotterdam II, 8 November 1909; W. 9190.

78. Een aanbod van bewijs in eersten aanleg gedaan, doch in hooger beroep herhaald, kan daarom nog niet geacht worden te zijn teruggenomen. — Hof Arnhem 30 Januari 1878; W.4264.

79. Bewijs kan niet worden uitgestrekt tot feiten, die niet bij de

introductieve dagvaarding aan de vordering zijn ten grondslag gelegd. — Rechtb. Amsterdam 28 December 1881; P. v. J. 1882, 8 Bij bi.

80. Een in het lichaam der conclusie gedane bereidverklaring om zekere feiten door getuigen te bewijzen, moet

worden voorbijgegaan, indien aan het slot der conclusie geen aanbod van bewijs voorkomt. — Hof Arnhem 28 November 1883; W. 5043; N. R. B. 1881, B. 115

81. De eischer moet bewijzen, dat de gedaagde woont ter plaatse, waar de dagvaarding die stelt. — Rechtb. Amsterdam 3 Mei 18^2; W. 6204; Mb. Dw. VIII, 5.

82. Indien uitdrukkelijk bij vonnis is beslist, dat meer is bewezen dan bewezen behoefde te worden, dan is terecht niet nog eens opzettelijk onderzocht of bewezen is, wat bewezen moest worden. — H. R. 22 Juni 1894, concl. conf.; W. 6521; P. v. J. 1894, 67; v. d. H„ B R. LX, 189.

83. In het algemeen kan elk bewijs, hoe volledig ook, door tegenbewijs worden verzwakt en ontzenuwd; voorzoover de wet niet uitdrukkelijk het tegendeel bepaalt of het aangeboden tegenbewijs om andere redenen niet kan worden toegelaten. — H. R. 4 Mei 1900, concl. conf.; W. 7449; P. v. J. 1900, 50; Gemst. 2549; W. B. A. 2683; v. d. H., B. R. LXVI, 232; N. R CLXXXV, 6.

84. Een dienstbode, die schadevergoeding vordert wegens ontijdig ontslag, behoeft, de dienstbetrekking vaststaande, alleen het ontslag, niet daarenboven het niet bestaan van wettige redenen te bewijzen. — Rechtb. Rotterdam 29 December 1905; P. v. J. 1906, 526.

Sluiten