Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kennis nemen en ze niet kunnen ter zijde leggen op den enkelen grond, dat zij niet zijn gericht tot dengene, die zich er op beroept. — H. R. 9 December 1910, concl. conf.; W. 9114; N R. CGXVI.

Art. 1912.

196. Brieven kunnen als onderhandsche geschriften bewijs opleveren. De vraag in hoever zij dit bewijs verschaffen, staat enkel ter waardeering van den judex facti. — H. R. 2 Maart 1883, concl. conf.; W. 4890.

197. Eene briefkaart, door den gedaagde aan den eischer geschreven, kan niet tot bewijs strekken, dat eene overeenkomst door den gedaagde met een derde ten behoeve van een eischer is gesloten. — Rechtb. Haarlem 27 Maart 1883; W. 4906.

198. Brieven, gewisseld tusschen de vennooten eener failliete firma kunnen door een derde, eischer in een geding tegen de firma, worden gebezigd en bewijs opleveren. — Rechtb. Middelburg 27 Juni 1883; W. 4932.

199. Brieven aan den lastgever door den lasthebber geschreven, hebben tegen dezen laatsten bewijskracht, ook al staat de lastgever buiten het geding. — Hof Amsterdam 11 Maart 1887; W. 5403.

200. Een brief, waarin vermeldt wordt de toezending van een bewijs van ontvangst van geleende gelden, kan niet strekken tot bewijs, dat de gelden inderdaad ter leen zijn verstrekt. Tot dit bewijs zou worden vereischt de overlegging van die bewijzen van ontvangst zelve. — Hof 's-Gravenhage 30 Juni 1902, met verniet. Rechtb. Rotterdam 25 November 1901 ; P. v. J. 1902, 184.

201. Voor de bewijskracht van een brief als onderhandsche akte is het onverschillig of die brief al dan niet

aan de wederpartij is gericht. — Rechtb. Dordrecht 10 April 1907; W. 8575; W. v. Not. 106.

202. Briefkaarten, wel van de eene partij afkomstig, maar niet aan de andere gericht, kunnen tusschen die partijen niet tot bewijs eener overeenkomst dienen. — Rechtb. Middelburg 9 Maart 1910; W. 9056.

203. Indien partijen van hetgeen tusschen haar is omgegaan eene onderhandsche akte hebben opgemaakt en deze onderteekend hebben, dan is de inhoud dier akte voor partijen de absolute waarheid en geen harer kan worden toegelaten tot het bewijs, dat in de akte een onware voorstelling der feiten is gegeven. — Rechtb. Leeuwarden 2 Juni 1887; W. 5570.

204. Ook al voldoet eenig geschrift aan alle wettelijke vereischten, om het te doen strekken tot volledig bewijs van al het er in vermelde, zoo zal toch degene tegenover wien er beroep op wordt gedaan, de bewijskracht van dat stuk ter zijde kunnen stellen, door van elders aan te toonen, dat de er in vermelde handelingen inderdaad niet plaats hadden. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 13 October 1893; W. 6490.

205. Als derde tegenover de onderhandsche akte, waarbij een erfpacht gevestigd werd, is niet aan te merken hij, die den blooten eigendom des gronds kocht van de erven dergenen, die het recht van erfpacht uitgaven. — Hof Arnhem 9 Januari 1881; W. 4792.

206. Onderhandsche akten bewijzen tegen hen, die deze niet onderteekend

Sluiten