Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eener akte op zekeren dag niet is toegelaten. Een poststempelafdruk op een stuk bewijst niet, dat op den datum van dien afdruk de in het stuk vervatte akte reeds bestond. — Hof 's-Hertogenbosch 31 October 1899; W. 7424; W. v. N. R. 1598.

298. Niettegenstaande de bepaling van dit artikel kan door een onderhandsche akte van koop en verkoop van roerende lichamelijke goederen voor eene som van meer dan f 300.—, hoewel eerst geregistreerd nadat die goederen in beslag waren genomen, het bestaan der overeenkomst van koop en verkoop aanvankelijk worden aangetoond en op dit begin van bewijs door geschrifte aan den kooper worden toegestaan, den koop en verkoop en de daarop gevolgde levering der goederen door getuigen te bewijzen. — Rechtb. Leeuwarden 28 Februari 1889; R. W. v. N. 671.

299. Hij, die beweert door koop en levering eigenaar te zijn van in beslag genomen roerende goederen, is tegenover den executant derde; de ongeregistreerde koopakte bewijst tegenover hem niets. De koopovereenkomst mag ook niet door getuigen worden bewezen, als zij het bedrag van f 300.— te boven gaat. — Rechtb. Amsterdam 14 April 1891; P. v. J. 1891, 92.

300. In den zin van art. 1917 B. W. is eene naamlooze vennootschap zeker derde ten opzichte van brieven, afkomstig van haren gewezen directeur, wanneer niet vaststaat, dat zij geschreven werden op een tijdstip, waarop deze nog directeur der vennootschap was. Wijl dus alles afhangt van dit tijdstip, zoo moet bij de vaststelling hiervan gelden het volgens zijne stellige bewoordingen en geschiedenis limitatief op te vatten art. 1917 B. W., volgens

Cbemkrs, Aant. d w.

hetwelk de bedoelde brieven ten aanzien hunner dagteekening tegen hem, die ze niet schreef of deed schrijven, geen kracht hebben dan van een der dagen in het artikel genoemd. De stellige en zeer algemeene bepaling van dat art. 1917 B. W. verbiedt dus, dat het schrijven der brieven door den gewezen directeur, hetzij op de daarin vermelde data, hetzij binnen zeker tijdsverloop, worde bewezen door getuigen. — H R. 29 November 1901, concl. conf.; W. 7690; P. v. J. 1901, 101; Not. W. 121; N. R. CLXXXIX, 264; v. d. H., B. R. LXVII, 560.

301. Art. 1917 B. W. verbiedt niet om het bestaan eener overeenkomst door andere middelen dan de daarvan opgemaakte akte, in het bijzonder door getuigen, te bewijzen. —Hof 's-Gravenhage 26 October 1903; W. 8010; Not. W. 238.

302. De schuldeischer, die geen partij is geweest bij een onderhandsche akte tusschen een anderen schuldeischer, en den gemeenschappelijken schuldenaar aangegaan, en evenmin als rechtverkrijgende van een der partijen optreedt, moet in den zin van dit artikel als derde worden aangemerkt. — H. R. 7 December 1883; W. 4981; N. R. CXXXV, 202; N. R. B. 1884, A. 231; v. d. H., B. R. XLI.V, 74.

303. Een overeenkomst door den later gefailleerde gesloten, bindt den curator en overige crediteuren, ook al is zij niet vóór het faillissement geregistreerd. — Rechtb. Amsterdam 4 December 1885; R. B. II, D. 133; P. v. J. 1886, 4.

Anders Rechtb. Rotterdam 3 April

55*

Sluiten