Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tens algemeenen titel en de rechtvertegenwoordigers van partijen daartoe zouden behooren, zoo moet tot die derden toch wel gerekend worden de kooper van eenig verhuurd goed, waartegenover beroep wordt gedaan op eene onderhandsche akte van verhuring van dat goed. — Hof 's-Hertogenboseh 27 Februari 1900; VV. 7427; W. v. N. R. 1582.

311. De kooper van eenig onroerend goed is in den zin van dit artikel derde bij de overeenkomst van huur en verhuur van dat goed tusschen den verkooper en een derde tot stand gekomen. — H. R. 4 Januari 1901, concl. conf ; W. 7544; P. v. J. 1901, 8 ; N. R. CLXXXV1I, 7; v. d. H„ B. R. LXVII, 1. Idem Rechtb. Rotterdam 8 October 1900; W. 7540.

312. Een kooper van een verhuurd onroerend goed is ten aanzien der bestaande huurovereenkomst derde in den zin van art 1917 B. W. — Rechtb. Utrecht 22 Februari 1905; W. 8223; Not. W. 305.

313. De dagteekening eener kwijting maakt met het geschrift waarop zij voorkomt een onafscheidelijk geheel uit en levert tegen de onderteekenaars en hunne rechtverkrijgenden een volledig bewijs op, dat het in het geschrift vermelde op die dagteekening is geschied. Hiertegen is geen getuigenbewijs toegelaten. — Rechtb. Breda 18 December 1883; W. 5047; R. W. v. N. 506.

314. Kwijtbrieven, die een gedetailleerde opgaaf bevatten van gedane ontvangsten en uitgaven zijn begrepen onder de akten, in dit artikel bedoeld. In dit artikel is een ieder derde, die de onderhandsche akte niet heeft onderteekend. — Hof 's-Gravenhage 15 Juni

1885. Rechtb. Middelburg 16 Juli 1884; W. 5277.

315. Een directeur eener bank is na zijne aftreding als zoodanig derde in de verhouding dier bank tot anderen. Na dat aftreden missen daarom geschriften vóór dat aftreden door hem opgemaakt, tegenover de bank zekere dagteekening, tenzij zij die op een der wijzen in art. 1917 B. W. omschreven, hebben verkregen. — Hof 's-Hertogenbosch 19 Januari 1909; W. 8835; W. v. N. R. 2066; W. v. Not. 207 (met bevest. Rechtb. aldaar 6 Maart 1908; W. 8665; W. v. Not. 134). (Cassatie verworpen bij het volgende arrest.)

316. Een lasthebber is geen derde in den zin van art. 1917 B. W. Wie zich echter tegenover den lastgever als bewijsmiddel beroept op een stuk, door den lasthebber onderteekend, zal moeten bewijzen, dat die onderteekenaar lasthebber was op het tijdstip door de dateering van het stuk aangewezen. — H. R. 24 Juni 1910, concl. conf.; W 9026; P. v. J. 1910, 965; W. v. N. R. 2118.

In denzelfden zin Hof 's-Gravenhage 16 December 1910; W. 9098; W. v. Not. 296.

317. Naar aanleiding van gemeld arr. 24 Juni 1910 mr. L. A. Micheels. De Hooge Raad en art. 1917 B. W. — W. v. N. R. 2118 en 2126.

H. Het arrest van den Hoogen Raad van 24 Juni 1910. — W. v. N. R. 2125.

318. De dagteekening aan een dagblad gegeven, moet niet worden aangemerkt als het zekere in rechten vaststaand tijdstip, waarop een aankondiging is geplaatst, maar wel die van de registratie van het dagblad. — Rechtb. Middelburg 4 Maart 1885; W. 5151.

Sluiten