Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

319. Een dagblad is een onderliandsche akte bij dit artikel bedoeld. — Hof 's-Gravenhage 29 Juni 1885; W. 5184.

320. Een brief, afkomstig van een verkooper of cedent, heeft geen bewijskracht tegenover den kooper of cessionaris, indien hij gedagteekend is vóór den verkoop of de cessie en eerst daarna geregistreerd. — Hof 's-Hertogenbosch 15 Februari 1887; W. 5478.

321. Indien vaststaat, dat eene akte van cessie op denzelfden dag geregistreerd is, waarop krachtens haar, een derde beslag gelegd werd, dan moet, behoudens bewijs van het tegendeel worden aangenomen, dat de registratie der akte van cessie aan het beslag vooraf ging. — Rechtb. Amsterdam 9 Juni 1892; W. 6254; W. v. N. R. 1206; R, W. v. N. 760.

322. Een brief, gedagteekend 19 Juni 1890, geregistreerd 10 Februari 1891 kan op het oogenblik der dagvaarding 1 December 1890, als toen dus geen zekere dagteekening hebbende, niet tegen den gedaagde, als daarbij derde, aangevoerd worden. — Rechtb. Amsterdam 26 Maart 1891; W. 6043.

323. Door de onderhandsche akte, opgemaakt van de oprichting eener vennootschap onder firma, wordt tegenover derden het bestaan dier vennootschap bewezen, niet van af hare dagteekening, maar van af hare registratie. — Rechtb. Zutfen 31 Januari 1895; W. 6678; P. v. J. 1S95,99. H. R. 7 November 1895, concl. conf.; W. 6737; P. v. J. 1895, 99; N. R. CLXXI, 169; v. d. H., B. R. LXI, 273.

324. Uit dit artikel volgt, dat, indien tegenover een derde voor een beweerde handeling als bewijs wordt

aangevoerd eene onderhandsche akte, die handeling zelve ten aanzien van dien derde wordt aangemerkt als op den dag der registratie te hebben plaats gehad. — H. R. 3 Februari 1898; W. 7080; P. v. J. 1898,15; N. R. CLXXV1II, 175; T. v. N. XVI, 158; v. d. H., B. R. LX IV, 50.

325. Die als lid tot een corporatie toetreedt en daarin als zoodanig is aangenomen, moet geacht worden bij overeenkomst aan de meerderheid der leden de macht te hebben toegekend, die beschreven is in art. 1696 B. W.; hij is dus in de aangelegenheden der corporatie ten aanzien van beschikkingen der meerderheid, niet als derde in den zin van dit artikel te beschouwen. — Hof 's-Hertogenbosch 5 Februari 1884; W. 5080.

326. Het is bewezen, dat eene -vereeniging vóór de invoering van de wet van 22 April 1855 (St. 102) bestond, indien een lijst van leden der vereeniging door iemand die in 1854 is overleden, onderteekend is. — Hof 's-Hertogenbosch 16 Maart 1888; W. 5391.

327. De vrouw is geen derde ten aanzien van de akten door den man als hoofd der huwelijksgemeenschap aan¬

gegaan. — Hof's-Gravenhage 27 October 1884; N. R. B. 1884, A. 241. (Verg. no. 337 Deel I.)

328. De voogd bij voorraad, als hij optreedt namens de minderjarigen door hem vertegenwoordigd, hoezeer hij geen vertegenwoordiger moge zijn van den vroegeren voogd, is niet te beschouwen als derde ten aanzien van stukken, door de vroegere wettige vertegenwoordigers van die minderjarigen onderteekend. — H. R. 19 Februari 1886; W. 5269; R. W. v. N. 361; T. v. N. IV, 29;

Sluiten