Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet te doen ; hij mist daarom het recht om tegen liet vonnis, waarbij de bewijskracht van dat extract is aangenomen, op te komen, hetzij wegens het aangenomen bewijs uit dat boek, hetzij wegens het gebruik hiervoor van een extract. — H. R. 18 October 1894; W. 6568; P. v. J. 1894, 89; v. d. H., B. R. LX, 258.

377. Hoewel commissionairs in effecten zijn gelijk te stellen met leveranciers van waren, en dus ook dit artikel op hen toepasselijk is, zoo volgt toch uit de beperkende bepaling van dit artikel omtrent de hoedanigheid en hoeveelheid der leverantiën, dat, als de lastgeving aan den commissionair wordt ontkend en ontewezen blijft, een beroep op de boeken alléén, ijdel blijft. — Hof Amsterdam 22 April 1898; W. 7176; P. v. J. 1898, 81.

Art. 1920.

378. Kwijtingen van afbetalingen, geschreven achter op een onderhandsche schuldbekentenis, maken met die schuldbekentenis geen onsplitsbaar geheel uit; zij zijn ieder op zich zelf onderhandsche akten, die als zoodanig tot bewijs van het er in vermelde strekken. Hoewel geteekend door den schuldeischer, is toch dit artikel daarop niet toepasselijk. — Rechtbank Heerenveen 15 October 1897; P. v. J. 1898, 21.

379. Het is onaannemelijk, dat krachtens contractueel beding, afbetalingen, gedaan op een depót in geld alleen zouden kunnen worden bewezen door de van die afbetalingen op het regu door den bewaarnemer gedane aanteekeningen. Het is geoorloofd om, voor het overige tegen dat bewijs geene wettelijke of feitelijke bezwaren bestaande, het feit, dat meerdere afbetalingen dan

de aangeteekende gedaan zijn, door getuigen te bewijzen. — Hof Amsterdam 4 November 1901; P. v. J. 1902, 127.

Art. 1922.

380. A. F. van Blommestein. De artt. 1922 en 1923 van het Burgerlijk Wetboek. — Ac. Pr. Leiden 1885.

381'. Eene vordering tot het in bewaring brengen van een geheel archief op een derde plaats of tot overlegging van zoodanig archief in het geding wordt niet door de artt. 1922 en 1923 B. W. gerechtvaardigd. — Hof 's-Gravenhage 4 Maart 1878; W. 4295; N. R. B. 1878, A 207.

382. Waar vaststaat, dat een archief bestaat uit dagboeken, geldboeken en copieboeken, kan er geen sprake van zijn, dat dit archief zou zijn een titel, als bedoeld in art. 1922 B. W. — Rechtb. Amsterdam 20 December 1907; W. 8809.

383. Onder de uitdrukkingen ,.gemeene titel en stukken, die aan beide partijen gemeen zijn" in artt. 1922 en 1923 B. W., is gedoeld op den gemeenschappelijken eigendom van den titel of de akten en niet op de vraag of uit dat stuk voor beide partijen bewijs kan voortvloeien. •— Rechtb. 's-Gravenhage 30 Maart 1883; W. 4897 ; R. W. v. N. 471.

Art, 1923.

384. H. Ligtenberg. De exhibitieplicht in het Nederlandsch recht. — Ac. Pr. Leiden 1893.

385. Onder „aan beide partijen gemeen" moet worden verstaan ,,aan beide partijen in eigendom toebelioorende". Processtukken behooren uit-

Sluiten