Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sluitend aan den proces voerder; zij kunnen niet worden beschouwd als gemeen tusschen dezen en den advocaat, die het proces heeft behandeld. — H. R. 22 April 1881; W. 4636.

386. Een vordering, welke strekt om in den loop van een rechtsgeding een bewijs te erlangen, kan zonder nieuwe dagvaarding worden gedaan bij denzelfden rechter, bij wien het hoofdgeding aanhangig is. Het verzoek in dit artikel bedoeld, kan blijkens de woorden „in eiken stand van het rechtsgeding", ook in hooger beroep worden gedaan. De woorden „aan beide partijen gemeen" in dit artikel beteekenen het gemeenschappelijk eigendom van beide partijen. — Hof Amsterdam 26 Mei 1893; W. 6371; P. v. J. 1893, 83.

387. Met de uitdrukking in art. 1923 B. W. „stukken, die aan partijen gemeen zijn", is blijkens de geschiedenis van dat artikel bedoeld „stukken, die het gemeenschappelijk eigendom zijn van partijen zoodat beide partijen daarop gelijk recht hebben"; mitsdien is als zoodanig niet te beschouwen eene eenzijdige verklaring van een der partijen, waarbij zij hare verplichtingen tegenover de andere partij erkent. — Rechtb. Amsterdam 13 Mei 1904; W. 8018.

388. In art. 1923 B. W. moeten onder „stukken, die aan beide partijen gemeen zijn" worden verstaan stukken, die aan beide partijen gemeenschappelijk toebehooren. — H. R. 20 October 1911, concl. conf.; W. 9283.

389. Waar stukken niet aan beide partijen gemeen zijn en de eischer tot staving zijner vordering zich daarop niet beroepen heeft, kan de gedaagde niet incidenteel inededeeling dier stuk¬

ken vorderen. — Rechtb. Amsterdam 15 Maart 1889; W. 5776.

390. Het huishoudelijk reglement eener vereeniging is geen stuk, gemeen tusschen die vereeniging en hare uitgetreden leden. — Kantong. Middelburg 29 Januari 1900; Mb. Dw. XV, 11.

Art. 1925.

391. De verklaring, dat men het afschrift eener akte niet als juist kan erkennen, zonder het origineel en de daaronder staande handteekening gezien te hebben, houdt niet in een ontkentenis; de grondslag der vordering moet dus bij gebrek aan tegenspraak als bewezen worden aangenomen. — Rechtb. Amsterdam 8 Mei 1890; W. 5893.

392. Indien een afschrift van eenig document in het geding is gebracht, kan overeenstemming met het oorspronkelijke slechts beweerd worden, als de overlegging van het oorspronkelijke gevorderd is. — Rechtb. Utrecht 11 Juni 1890; P. v. J. 1890, 88.

393. Mogen ook al partijen van elkander kunnen vorderen de overlegging van de oorspronkelijke stukken tegen hen gebruikt, dit moet echter in dien zin worden opgevat, dat die overlegging noodzakelijk is geworden, ten gevolge van het betwisten van het overgelegd afschrift. — Rechtb. Amsterdam 14 Juli 1891; W. 6122; P. v. J. 1891, 92; R. W. v. N. 739.

394. Waar tusschen beide exemplaren eener overeenkomst verschil bestaat, moet dat exemplaar gevolgd worden, hetwelk de meest gunstige bepalingen inhoudt voor hem die verbonden is. — Rechtb. Amsterdam 4 Maart 1892; P. v. J. 1892, 104.

Sluiten