Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

467. De directie eener onderlinge brandwaarborgmaatschappij mag door getuigen het uur bewijzen, waarop de

polis door haar onderteekend werd. — Rechtb. Utrecht 20 November 1889; P. v. J. 1889, 144.

468. Waar de borg te zijner bevrijding bewijzen wil, dat de crediteur met een cessie van den oorspronkelijken debiteur genoegen heeft genomen, is hij, als de borgtocht en de schuld meer dan f 300 bedragen, niet gerechtigd dit door getuigen te bewijzen. — Hof Amsterdam 27 Januari 1893; W. 6321.

469. Getuigenbewijs is uitgesloten, als bij dagvaarding meer dan f 300 is gevorderd. — Rechtb. Rotterdam 7 Januari 1895; W. 6663.

470. Ingeval in een strafbeding de hoegrootheid der boete afhankelijk wordt gesteld van het aantal dagen, dat de partij in verzuim is, bestaat voor hem slechts een verplichting tot betaling van het geheele bedrag der beloopen boete en niet zooveel verplichtingen, als hij dagen in verzuim is geweest. Indien in het geheel meer dan f 300 boete beloopen is, is het getuigenbewijs uitgesloten van het beding, waarbij de boete is bedreigd. — H. R. 5 Mei 1899; W. 7275; P.v.J. 1899, 43; N. R. CLXXXII, 8; v. d. H., B. R. LXV, 211.

471. Het is niet aannemelijk, dat in dit artikel het woord „acte" dezelfde beteekenis als overeenkomst heeft, doch de bedoeling der bepaling is het bewijs door getuigen uit te sluiten van elke rechtshandeling, — in welken zin het woord „acte" ook in art. 1484 B. W. voorkomt — of „overeenkomst", welke eene de waarde van f 300 te boven gaande verbintenis of ontheffing van schuld

bevat. — H. R. 23 November 1899, concl. conf.; W. 7365; P. v. J. 1899, 97 ; Not. W. 14 en 15; P. W. 9222.

Naar aanleiding van dit arrest Prof. Mr. H. J. Hamaker. De betaling en art. 1933 B. W. (S. vereenigt zich niet met de beslissing van den H. R., dat betaling eene rechtshandeling is, doch acht niettemin art 1933 op de betaling toepasselijk.) — W. v. N. R. 1576 en 1577.

Dezelfde. Nogmaals de betaling en art. 1933 B. W. — W. v. N. R. 1580 en 1582.

472 Wanneer wordt beweerd, dat iemands inbreng ad f 4000 in eene naamlooze vennootschap kan worden verrekend met de waarde van een door hem ingebracht onroerend goed, doch van dien laatsten inbreng uit de akte van oprichting der naamlooze vennootschap niet blijkt, dan kan de waarheid dier bewering niet door getuigen worden bewezen.

— Hof 's-Gravenhage 15 Maart 1904; W. 8034 ; P. v. J. 1905, 412 ; W. v. N. R. 1819; N. R. CXCVIII, 239. Cassatie verworpen H. R. 2 December 1904, concl. conf ; W. 8149.

Naar aanleiding daarvan: mr. L. A. Micheels. Merkwaardige rechtspraak. — W. 8149.

473. Art. 1933 B. W. levert geen bezwaar op tegen het leveren van getuigenbewijs van eene betaling van meer dan f300, wanneer deze zou zijn geschied door den eenen gedaagde aan den anderen en de eischer het bewijs heeft te leyeren.

— Rechtb. Alkmaar 21 Juni 1906; W. 8847.

474. Getuigenbewijs is toelaatbaar tot staving van het bestaan eener vordering, die op het oogenblik dat zij zou zijn aangegaan, minder dan f 300 bedroeg en dus toen voor getuigenbewijs vatbaar

Sluiten