Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was, terwijl het feit, dat de schuld door tijdsverloop langzamerhand tot boven f 300 klom, 'de eenmaal bestaande vatbaarheid niet deert. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 20 November 1908; W. 8843.

475. Wanneer als batig saldo van de uitvoering eener overeenkomst een bedrag van f 496.72 gevorderd wordt, dan volgt daaruit, dat het onderwerp der overeenkomst volgens de bij de oorspronkelijke dagvaarding gestelde feiten het bedrag van f 300 te boven gaat, zoodat getuigenbewijs volgens het voorschrift van art. 1933 B. W. niet was toegelaten. — H R. | 8 April 1910, concl. conf.; W. 9014; P. v. J. 1910, 953; N. R. CCXIV, 423.

Art. 1934.

476. J. F. Engelbrecht. De beteekenis van art. 1934 B. W. — Ac. Pr. Leiden 1887.

477. G. C. D. Huijdecoper. Eenige opmerkingen over art. 1934 B. W. — Ac. Pr. Utrecht 1881.

478. Door getuigen mag niet worden bewezen, dat partijen met onderling goedvinden een huurovereenkomst hebben doen eindigen, vóór het tijdstip, waarop zij volgens het oorspronkelijk schriftelijk contract zou afloopen. — Rechtb. Amsterdam sine die; W. 5676.

479. Indien de bestemming van het gehuurde uitdrukkelijk in de akte vermeld staat, kan een door den huurder beweerde vergunning tot wijziging dier bestemming niet door getuigen bewezen worden. — Rechtb. Amsterdam 5 Februari 1884; P. v. J. J884, 33, Bijbl.

480. Het bewijs door getuigen is niet geoorloofd om wijzigingen aan te toonen in de berekening en betaling der huur-.

penningen, zooals een en ander bij schriftelijk huurcontract is geregeld. —Rechtb. Amsterdam 14 Januari 1886; P. v. J. 1886, 27, Bijbl.

481. Waar uit de schriftelijke huurovereenkomst blijkt, dat de huur per kwartaal moest gekweten worden, daar kan de bewering des huurders, dat hij wekelijks de huur heeft afbetaald, op grond van dit artikel niet door getuigen worden bewezen. — Hof Amsterdam 11 Mei 1893; W. 6374.

482. Tot staving van de bewering uitstel te hebben verkregen tot betaling van een verschenen termijn huur, die in de notarieële akte van verhuring op een bepaalden dag was vastgesteld, kan geen getuigenbewijs worden toegelaten.

— Hof 's-Gravenhage 23 Januari 1888; W. 5517; P. v. J. 1888, 34; W. v. N. R. 964; ft.. W. v. N. 612.

483. Getuigenbewijs mag niet worden toegelaten omtrent het feit, dat door partijen na het opmaken van een notarieel huurcontract van landerijen, omtrent de bemesting nader is overeengekomen in afwijking van het daaromtrent in het huurcontract bepaalde.

— Rechtb. Winschoten 12 November 1890; W. 6107.

484. Indien bij een schriftelijke huurovereenkomst de huurprijs is bepaald, kan de huurder niet worden toegelaten om door getuigen te bewijzen, dat later mondeling werd overeengekomen om gedurende een bepaalden tijd een mindere huur te betalen. — Rechtb. Alkmaar 14 October 1897; W. 7070.

485. Dit artikel verbiedt om tegenover een schriftelijk huurcontract van de ontbinding daarvan mutio consensu bewijs door getuigen te leveren. —

Sluiten