Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de bedoeling der partijen ten aanzien van eene in de akte opgenomen bepaling. — Hof 's-Gravenhage 15 Juni 1890; W. 6107; P. v. J. 1891, 58.

497. Het verbod van dit artikel belet niet, om, waar de woorden eener akte voor verschillende uitlegging vatbaar schijnen, door getuigen het bewijs te leveren van omstandigheden, die kunnen strekken tot verduidelijking van den inhoud der akte en tot nadere aanwijzing der bedoeling van partijen. — Rechtb. Alkmaar 21 December 1893; W. 6702.

498. Dit artikel zegt niet, dat al wat gesproken wordt bij het passeeren eener akte niets afdoet, maar alleen, dat het niet door getuigen mag worden bewezen, indien daardoor de inhoud van het contract zou worden gewijzigd. Het artikel j sluit dus geen getuigenbewijs uit, als de te bewijzen feiten alleen dienen tot vaststelling en verduidelijking van den inhoud der akte. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 12 Juni 1896; W. 6884.

499. Dit artikel verbiedt niet door getuigen te bewijzen, dat twee partijen overeengekomen zijn eenige in gemeenschap bezeten goederen voorloopig onverdeeld te laten. — Rechtb. Breda 8 Augustus 1893; W. 6406.

500. Dit artikel ziet enkel op de partijen, tusschen welke de akte is verleden, hunne erfgenamen en rechtverkrijgenden en kan niet worden ingeroepen tegen derden — Hof 's-Gravenhage 25 Juni 1894; P. v. J. 1894, 65.

501. Bij boedelscheiding is aan een der deelgenooten een vast goed toegescheiden ; een ander deelgenoot weigert het te ontruimen en wordt tot ontruiming gedagvaard. De gedaagde verdedigt zich door te stellen, dat bij de

boedelscheiding was afgesproken, dat hij vooralsnog niet behoefde te ontruimen, welke afspraak hij aanbiedt door getuigen te bewijzen. Op grond van dit artikel mag dit bewijs niet worden toegelaten. — Rechtb. Amsterdam 24 A ugustus 1897; W. v. N. R. 1464.

502. Indien bij een bestek is bepaald, dat de nota van aanwijzingen één geheel met het bestek zal uitmaken, kan ook niet beweerd worden, dat het bewijs door getuigen van mededeelingen, ter gelegenheid der aanwijzing gedaan, door dit artikel wordt uitgesloten. — Rechtb. Rotterdam 13 Maart 1899; W. 7301.

503. Dit artikel staat niet in den weg aan het bewijs door getuigen van een feit betreffende de uitvoering eener overeenkomst. — Rechtb. 's-Gravenhage 12 December 1899; W. 7392; Not. W. 13.

504. Uit de geschiedenis van dit artikel blijkt, dat de wetgever onveranderd heeft willen teruggeven, hetgeen de C. C. in art. 1341 had bepaald, te weten, dat geen getuigenbewijs werd toegelaten, „contre et outre le contenu des actes", zoodat het woord „gevorderd" moet worden opgevat als „beweerd" en niet als „in rechten geëischt". — Hoi Leeuwarden 26 Juni 1901; \V. 7677; Not. W. 117.

505. Dit artikel belet niet om door getuigen te bewijzen, dat zeker persoon dezelfde is, als de persoon, die eene zekere akte onderteekende. — H. R. 14 Maart 1902, concl. conf.; W. 7733; P. v. J. 1902, 132; N. R. CXC, 339.

506. Later mondeling in eene schriftelijke overeenkomst aangebrachte wijzigingen kunnen niet door getuigen worden bewezen. — H. R. 13 Juni 1902,

Sluiten