Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van koophandel is. — H. R. 15 Januari 1885; W. 5125; R. W. v. N. 528.

In denzelfden zin Rechtb. Amsterdam 16 Februari 1888; W. 5549.

516. Met zaken van koophandel worden in dit artikel bedoeld de vorderingen, die uit handelsdaden of zaken ontstaan; de beantwoording der vraag of eene vordering eene handelszaak is, hangt af van het antwoord op eene andere vraag of de vordering ontstaat uit eene handelsdaad of zaak en daarbij mitsdien gevorderd wordt nakoming van eene handels verbintenis. — Hof Arnhem 14 November 1894; W. 6582.

517. Met de uitdrukking „zaken van koophandel" in dit artikel en art. 1 K. worden bedoeld rechtsvorderingen, waarbij de handhaving wordt gevorderd van een handelsverbintenis d. i. van een verbintenis, die haren grond vindt in eene daad van koophandel; daaronder valt niet de handeling, die slechts aan zijde van een der partijen daad van koophandel is. — Rechtb. Groningen 27 Mei 1898; P. v. J. 1898, 180.

518. Met „zaken van koophandel" worden bedoeld rechtsvorderingen, waarbij de handhaving wordt geëischt van eene handelsverbintenis, d i. eene verbintenis, die haar grond vindt in een daad van koophandel. Als zoodanig valt ook te beschouwen de tot eene overeenkomst geleid hebbende handeling van slechts één der partijen, zoodat ook het ter leen ontvangen van een particulier van obligatiën door een commissionair is eene daad van koophandel en de verbintenis van dezen tot teruggave dier stukken een handelsverbintenis. — II. R. 14 Mei 1909, concl. conf.; W. 8871 ; P. v. J. 1909, 857; W. v. N. R. 2131; N. R. CCXII, 52. (Zie aanteekening no. 514.)

519. Waar art. 1935 B. W. spreekt van zaken van koophandel, moeten die woorden worden opgevat in procesrechtelijken zin; zij beteekenen dan handelsrechtsgedingen, dat zijn die gedingen, waarin de handhaving wordt gevorderd eener handelsrechtsverbintenis, dat is eener verbintenis, die haren grond vindt in eene daad van koophandel ; daarbij is het niet de vraag of de zaak van eischer (die bewijzen moet) is de rechtsvordering van een koopman, maar wel of het obligo des schuldenaars (dat bewezen moet worden) uit eene handelsdaad voortspruit. — Hof 's-Hertogenbosch 28 Juni 1909 ; W. 8957.

In den zelfden zin Hof 's-Gravenhage 29 Juni 1903; W. 7995.

520. Er bestaat geen afdoende reden om den koopman het voorrecht aan den handel toegekend om bewijs te mogen leveren door getuigen in de gevallen, waarin dit bewijsmiddel in burgerlijke zaken is uitgesloten, te onthouden, als hij slaat tegenover een niet-koopman en bewijzen wil het sluiten eener overeenkomst, die wel voor hem, maar niet voor den niet-koopman eene handelsdaad was. — Rechtb. Groningen 17 Mei 1895; P. v. J. 1895, 47; N. M. v. H. VII, 173.

521. Art. 1935 B. W. is niet toepasselijk, wanneer moet worden bewezen de verbintenis van een niet-koopman jegens een koopman. — H. R. 9 April 1897, concl. conf.; W. 6951 ; P. v. J. 1897, 34; N. M. v. H. IX, 97; v. d. H. B. R. LX1II, 103 (met bevest. Hof Leeuwarden 13 Mei 1896; P. v. J. 1897, 34; N. M. v. H. IX, 97).

522. Als eene verbintenis aan zijde van hem, wiens verbintenis bewezen moet worden, een handelszaak is, is getuigenbewijs ook toegelaten, onaf-

Sluiten