Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hankelijk van het voorschrift van art. 1933. — Reehtb. 's-Hertogenbosch 3 December 1897; W. 7217.

523. De toelaatbaarheid van getuigenbewijs op grond van dit artikel hangt af van het karakter, dat de handeling heeft voor hem, die haar door getuigen wenscht te bewijzen. De wetgever heeft bij dit artikel meer op het oog gehad de belangen van den handel in engeren zin, op de rechtsbetrekkingen van kooplieden onderling en de wet geeft eerder aanleiding om het handelsgetuigenbewijs alleen toe te laten, indien partijen beide eene handelsdaad hebben verricht en niet als een der partijen als koopman en de andere als niet-koopman heeft gehandeld. — Hof Leeuwarden 21 September 1898. Recht b. Groningen 1 October 1897; P. v. J. 1898, 89.

524. Een particulier mag tegenover een koopman getuigenbewijs leveren. — Hof Amsterdam 29 Mei 1908; W. 8810.

525. De vordering van een koopman tegen een niet-koopman is in den zin van art. 1935 B. W. geene zaak van koophandel. — Hof Amsterdam 23 October 1908; W. 8815; P. v. J. 1908, 828.

526. In den zin van art. 1935 B. W. is een rechtsgeding slechts dan een zaak van koophandel, wanneer het strekt tot handhaving, d. i. nakoming van eene handelsverbintenis aan zijde van dengene, van wien die nakoming wordt gevorderd. — Hof 's-Gravenhage 14 November 1910; W. 9109.

527. Gebruikelijke beursaffaires gesloten met het oog op de rijzing of daling der effecten zijn handelszaken, waarbij getuigenbewijs geoorloofd is. —

Rechtb. Amsterdam 14 April 1882; W. 4779.

528. De commissionair in effecten kan niet worden toegelaten door getuigen te bewijzen, dat een niet-koopman hem last gegeven heeft tot den verkoop ter beurze van effecten, uitmakende een bedrag van meer dan f 300. — Rechtb. Amsterdam 6 November 1883; P. v. J. 1883, 50, Bijbl.

529. Als gesteld wordt, dat de eischer aan gedaagde ten behoeve van door hem te bouwen huizen zekere goederen verkocht en geleverd heeft, betreft dit geen handelsonderneming. Het bewijs door getuigen eener dusdanige ontkende overeenkomst, waarvan het onderwerp f 300 te boven gaat, is uitgesloten. — Rechtb. Amsterdam 22 December 1887; W. 5793.

530. De bedingen eener vrachtovereenkomst van de binnenlandsche vaart mogen door getuigen bewezen worden. — Rechtb. Rotterdam 15 December 1888; W. 5674; N. M. v. H. I, 283.

531. In handelszaken is getuigenbewijs tegen den inhoud van erkende onderhandsche stukken toegelaten, niet slechts om geringe afwijkingen van het werkelijk verhandelde te conètateeren, maar ook ter wederlegging van den geheelen inhoud. — Hof Amsterdam 21 Juni 1889; W. 5789; P. v. J. 1889, 109.

532. Het in bruikleen geven van effecten, al moge zulks geschied zijn ten behoeve van de tusschen partijen bestaande handelsvennootschap, is een civielrechtelijke handeling, waarop dit artikel niet van toepassing is. — Hof Amsterdam 28 Juni 1889; VV. 5794; R. W. v. N. 666.

Sluiten