Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begin van bewijs, worden geen andere dan de beide in het tweede lid genoemde vereischten gesteld, met name niet ten aanzien van de zekerheid der dagteekening. — H. R. 23 Juni 1893, concl. conf.; W. 3369; P. v. J. 1893, 69; T. v. N. XI, 145.

543. Eene onderhandsche schuldbekentenis, niet voldoende aan de eischen van art. 1915 B. W., levert begin van bewijs bij geschrifte op. — Hof Leeuwarden 26 Juni 1901; W. 7691 (1).

544. Indien de eischer in het geding brengt een brief, afkomstig van den oorspronkelijken gedaagde, welk schrijven de daadzaak, waarop de eischer zich beroept, waarschijnlijk maakt, levert die brief een begin van bewijs bij geschrifte op en kan dus aanleiding geven om den eischer toe te laten tot verdere bewijsvoering door getuigen. — Rechtb. Alkmaar 8 Januari 1880; W. 4537.

545. Voor begin van schriftelijk bewijs kan niet dienen een geschrift dat afkomstig is van den auteur van hem die er zich op beroept. — H. R. 2 November 1883; W. 4974; N. R. CXXXV, 61; v. d. H., B. R. XLIX, 1.

546. Schriftelijke verklaringen, afkomstig van hem, die aan den borg penningen heeft gecedeerd, inhoudende de verklaring van den cedent, dat hij tengevolge dier cessie den mede-borg zal vrijhouden van elke schade, voor die wederpartij tegen gene, kan niet als begin van bewijs bij geschrifte gelden. — H. R. 30 April 1886; W. 5332; N. R. CXLII, § 59, 373; R. W. v. N. 588; v. d. H., B. R. Lil, 179.

547. Tegenover iemand, die bij de

(1) Zie nos. '202 en 203.

boedelbeschrijving geen partij is geweest, kan deze hoogstens een begin van bewijs bij geschrifte opleveren. — Rechtb. Alkmaar 2 Januari 1890; W. v. N. R. 1083.

548. Een brief, waaruit wel blijkt, dat over de ten processe geposeerde overeenkomst onderhandeld is, maar waaruit tevens blijkt, dat tijdens het schrijven van dien brief het tot stand komen der overeenkomst zeer twijfelachtig was, stelt niet daar een begin van bewijs bij geschrifte. — Rechtb. Amsterdam 3 Januari 1890; P. v. J. 1890, 58.

549. De onderhandsche akte van kwijting voor de ontvangen koopsom van roerende lichamelijke goederen kan voor den kooper' tegen den verhuurder, die wegens verschuldigde huurpenningen beslag heeft doen leggen, niet als begin van bewijs bij geschrifte voor den eigendom dier goederen gelden, als die kwijting van eene derde buiten het geding staand persoon, den verkooper der goederen, afkomstig is. — Hof Amsterdam 24 Januari 1890; W. 5830; R. W. v. N. 687 en 699.

550. Als geschrift van iemand „voortgekomen" moet worden beschouwd ieder geschrift, dat met zijne medewerking of op zijn last is tot stand gekomen. — Rechtb. Utrecht 14 Mei 1890; W. 5898; P. v. J. 1890, 82.

551. Een door beide partijen onderteekende akte, houdende eene conceptovereenkomst, levert geen begin van bewijs bij geschrifte op. — Rechtb. Rotterdam 6 April 1891; P. v. J. 1891, 54.

552. De vraag of eenig geschrift de ingeroepen daadzaak waarschijnlijk maakt, is, als van feitelijken aard, niet vatbaar voor onderzoek in cassatie. —

Sluiten