Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

612. Waar slechts ten overvloede een beroep is gedaan op getuigenverklaringen van het reeds door titels geleverd bewijs, kan de bewering, dat deze verklaringen niet voldoen aan de vereischten van dit artikel in geen geval leiden tot cassatie. — H. R. 26 Juni 1891; W. 6055.

613. Als een aangeboden getuigen-

oewijs in eerste instantie niet anders is bestreden dan als niet ter zake dienende,

kan in cassatie niet daartegen worden opgekomen op grond, dat het niet zou loopen over feiten, maar over bijzondere meeningen. — H. R. 17 November 1899, concl. conf.; W. 7363; P. v. J. 1899, 95; N. R. CLXXXIII, 289; v. d. H., B. R. LXV, 377.

614. De wet stelt in burgerlijke zaken

niet den eisch, dat door getuigen te bewijzen feiten steeds naar tijd, plaats en omstandigheden, waaronder zij zijn gebeurd, moeten gepreciseerd zijn. — H. R. 22 Juni 1900, concl. conf.; W. 7471; P. v. J. 1900, 64 ;N. R. CLXXXV, 247; v. d. H., B. R. LXVI, 337.

615. De verklaring van een getuige, dat een huis of gebouw zekere huurwaarde heeft, is niet als eene gissing of meening van een getuige te beschouwen. — H. R. 14 April 1881; W. 4635; v. d. H., B. R. XLVI, 253.

616. De waarde van eenig voorwerp op een bepaald tijdstip kan niet door getuigen worden bewezen. Het feit, dat iemand bekend was met den slechten financieelen toestand van een ander, kan door getuigen worden bewezen. — Hof 's-Gravenhage 17 November 1890; W. 5972; P. v. J. 1891, 2; N. M. v. H. III, 54.

617. Getuigen, bijzonder meteenigen tak van handel bekend, kunnen zeer

goed uit eigen wetenschap verklaren omtrent de marktwaarde van artikelen betrekkelijk dien tak van handel. ~ Rechtb. 's-Hertogenbosch 12 Mei 1899; W. 7418.

618. De waarde van zekere voorwerpen op een zeker tijdstip kan niet door getuigen worden bewezen. — Hof 's-Gravenhage 19 Januari 1904; W. 8058.

619. Toedoen, nalatigheid en onvoorzichtigheid zijn geen feiten, voor getuigenbewijs vatbaar. — Rechtb. Amsterdam 11 Mei 1891; W. 6111; P. v. J. 1891, 70.

620. De negatieve daad van een der partijen kan niet door getuigen worden bewezen. — Rechtb. Haarlem 5 Januari 1897; W. 6956.

621. Een bewijsaanbod, dat men iets niet gedaan heeft, houdt geene daadzaak in, vatbaar voor bewijs; in zoodanig geval moet men daadzaken en omstandigheden stellen, waaruit volgt, dat men iets niet heeft kunnen doen. — Hof Arnhem 8 November 1899; W. 7420.

Art. 1945.

622. De rechter is geheel vrij om niet toe te laten het bewijs door getuigen van een feit, waarvan het onbestaanbare naar 's rechters overtuiging reeds a priori vaststaat. — H. R 20 December 1889; W. 5817; P. v. J. 18(J0, 12; v. d. H., B. R. LV, 376.

623. Krachtens dit artikel moet ook de burgerlijke rechter een onderzoek doen omtrent de geloofwaardigheid der gehoorde getuigen en dus ook overtuigend bewijs vorderen. — Hof Amsterdam 3 November 1892; W. 6287; P. v. J. 1893, 1.

Sluiten