Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

624. De wet bepaalt nergens, dat de Art. 1946, 8°.

rechter gehouden zal zijn om een feit

als bewezen aan te nemen op grond, 628. J. Bruijn. Het beroepsgeheim dat het door drie getuigen werd be- en de verplichting tot afleggen van gevestigd. — H. R. 16 Mei 1902, concl. tuigenis in het burgerlijk geding. —

conf.; W. 7769; P. v. J. 1902, 158; W. Ac. Pr. Amsterdam 1892.

v. N. R. 1718; Not. W. 148; N. R.

CXCI, 89; v. d. H., B. R., LXVIII, 235.

625. Waar tusschen getuigen strijd bestaat over de vraag of een schip op een gegeven oogenblik vooruitging, dan wel stil lag, moet ceteris paribus geloof worden gehecht aan de getuigen, die zich op het schip bevonden. — Rechtb. Rotterdam 22 October 1902; W. 7944.

626. Wanneer bewezen moet worden een feit, dat zijne waarde voor het geding vooral daaraan ontleent, dat het, zonder er opzettelijk aandacht aan te wijden, toch door een ieder vanzelf wordt waargenomen, dan kan dat feit niet als bewezen worden aangenomen, op grond der verklaringen van getuigen, dat zij het feit hebben waargenomen, na te zijn uitgezonden om er op te letten en na er door een ander opzettelijk op opmerkzaam te zijn gemaakt. — Rechtb. Utrecht 1 Maart 1905; W. 8209.

Art. 1946.

627. Bij art. 1946 en volg. wordt onderscheid gemaakt tusschen personen, die als getuigen kunnen worden gewraakt eri andere, die van het geven van getuigen zijn uitgesloten, hetzij in het algemeen, hetzij in gegeven rechtsgedingen. Alleen de rechtspraak over wraking is verklaard niet vatbaar te zijn voor hooger beroep. Omtrent rechtspraak over uitsluiting gelden de algemeene regelen van appellabiliteit. — Hof 's-Hertogenbosch 8 Februari 1881; W. 4674.

Art. 1948.

629. De bewering, dat uit het procesverbaal van een getuigenverhoor niet blijkt, dat de getuigen op de wijze hunner godsdienstige gezindheid den eed hebben afgelegd, kan niet rauwelijks aan het oordeel van den rechter in cassatie worden onderworpen. — H. R. 23 Januari 1891; W. 5985; P. v. J. 1891, 14; N. R. CLVII, 67.

630. Wanneer het proces-verbaal opgemaakt van een getuigenverhoor niet inhoudt, dat de getuigen den eed hebben afgelegd, dan moet worden aangenomen, dat die eedsaflegging ook niet heeft plaats gehad. — H. R. 30 Juli 1906, concl. conf.; W. 8407; P. v. J. 1906, 565; W. v. N. R. 1919.

Art. 1950.

631. J. A. van der Does. Deredenen van wraking van getuigen in het burgerlijk geding. — Ac. Pr. Leiden 1890.

632. Als een wraking steunt op rechtsgronden of wetsinterpretatie is een onderzoek in cassatie naar den grond der wraking mogelijk. — H. R. 28-Juni 1878, concl. conf.; W. 4270; v. d. H., B. R XLI1I, 288.

633. Aan den hoogeren rechter, die den lageren rechter heeft gedelegeerd om getuigen te hooren en niet aan den lageren rechter behoort de beslissing over de wraking van getuigen in een bij den hoogeren rechter aanhangig

Sluiten