Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechtsgeding. De gedelegeerde kantonrechter is, als in een voor hem gehouden enquête wraking van een getuige wordt voorgesteld, bevoegd partijen te verwijzen naar de openbare terechtzitting van den delegeerenden rechter. — H. R. 28 Juni 1878, concl. conf.; W. 4281; v. d. H, B. R. XLIII, 322.

634. De wraking van een getuige is ontvankelijk, al werd zij na de beëediging voorgesteld. — Rechtb. Utrecht 9 Mei 1884; W. 5023.

635. Een eenmaal gewraakte getuige mag niet worden gehoord in hetzelfde proces op eene voortgezette terechtzitting, zoolang het vonnis van wraking nog bestaat. — Rechtb. 's-Hertogenbosch

29 Mei 1896; W. 6882.

Art. 1950, 1°.

636. Als getuige kan niet worden gewraakt de broeder van een lid van het bestuur van een zedelijk lichaam, dat partij in het geding is. — Kantong. Almelo 6 October 1898; W. 7199.

Art. 1950, 30.

637. In een geding loopende over de vernietiging van een koopakte, op grond van verkorting der rechten van schuldeischers, kan een schuldeischer van den verkooper als getuige worden gewraakt, omdat hij een zijdelingsch belang bij de zaak heeft. -— Rechtb. Amsterdam 8 October 1883; P. v. J. 1883, 41, Bijbl.

638. De wraking van een getuige in een procedure tot echtscheiding is toegelaten, indien de getuige in het vonnis waarbij het getuigenverhoor is bevolen en in de dagvaarding, welke aan haar is beteekend, is genoemd als de jiersoon die met een der partijen overspel heeft

gepleegd. — Rechtb. Rotterdam 30 April 1888; W. 5610,

639. Het door een ontslagen boekhouder bijwerken der boeken van zijn vroegeren meester, tot kort vóór den dag van het getuigenverhoor, doch zonder loon, is geen voldoende reden om hem als getuige te wraken in een proces waarin zijn vroegere meester partij is. — Rechtb. Rotterdam 2 Juni 1888; W. 5613; P. v. J. 1881, 101.

640. De dochter van den lasthebber van een der procedeerende partijen, die de koopovereenkomst, waarover geschil, zou hebben gesloten, kan niet als getuige worden gewraakt. Het eenige belang, dat zij bij de zaak zou hebben, is, dat zij vermoedelijk erfgenaam van haar vader is, en dat belang is niet alleen toekomstig, maar vooral te onzeker om het als een zijdelingsch belang in den zin der wet te beschouwen. — Rechtb. Breda 31 October 1893; W. 6436.

641. In het geding tot nietigverklaring van een testament op grond van zwakheid van geestvermogens, kan de

notaris voor wien het testament is verleden, niet als getuige gewraakt worden wegens zijdelingsch belang bij den afloop van het proces, als hij verklaart geen afwezigheid van oordeel of wil bij de testatrice te hebben bevonden en van oordeel te zijn, dat hij in twijfelachtige gevallen niet mag weigeren testament te maken, omdat hij altijd den rechter achter zich heeft en hij bij weigering iets onherstelbaars zou doen en kan zijn eer en goeden naam en bijgevolg ook zijn praktijk niet geschaad worden door vernietiging van het testament op grond van zwakheid van geestvermogens. — Rechtb. Almelo 17 Juni 1896; W. C830; P. v. J. 1896, 52; W. v. N. R. 1395; P. W. 8826; T. v. N. XIV, 300.

Sluiten