Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan eerst kracht van gewijsde worden toegekend, indien zij niet meer door de gewone rechtsmiddelen bestreden kan worden, doch de mogelijkheid om door buitengewone rechtsmiddelen als request civiel en verzet door derden vernietiging der uitspraak te verkrijgen, ontneemt daaraan niet het karakter van te zijn een gewijsde in den zin van dit artikel.

— Hof Arnhem 15 December 1897; W. 7110.

713. Zoolang een vonnis niet is vernietigd, is het voor partijen niet anders aantastbaar dan door de bij de wet aangewezen lioogere voorziening en geldt het dus voor hen als gewijsde. — Rechtb. 's-Gravenhage 8 Mei 1900; W. 7520.

714. De berusting in een vonnis, waarbij de gevorderde ontbinding eener overeenkomst van huur en verhuur van een perceel is geweigerd, belet den eigenaar van het perceel niet op een anderen grond, n.1. zijn eigendomsrecht en beweerde inbezithouding door de wederpartij het perceel terug te vorderen.

— Rechtb. Zutfen 17 Februari 1887; W. 5505.

*

715. Terecht wordt de exceptie van gewijsde zaak opgeworpen, indien de eischer zijne vordering doet steunen op dezelfde verbintenis, al wil hij thans haar bestaan aantoonen door bewijs te leveren van eenigszins andere feiten dan die, waarvan vroeger het bewijs is aangeboden. — Rechtb. Amsterdam 20 Mei 1887; P. v. J. 1888, .16.

716. De exceptie van gewijsde zaak gaat niet op tegen de vordering tot betaling van hetgeen de gedaagde pro resto schuldig is wegens geleend geld en voorschotten met renten, indien de eerste vordering strekt om betaling te bekomen van liet saldo eener tusschen

partijen bestaan hebbende rekeningcourant. — Rechtb. Haarlem 14 Juni 1887; W. 5569.

717. De exceptie van gewijsde zaak wordt terecht ingeroepen tegen den kooper van een onroerend goed, die het opvordert van denzelfden persoon, tegen wien een door den vorigen eigenaar ingestelde revindicatie als ongegrond was ontzegd, zelfs al was dit vonnis nog niet in kracht van gewijsde gegaan.

— Rechtb. Zutfen 23 Februari 1888; W. 5594.

718. Indien bij de opvordering van den verschenen termijn eener lijfrente, de verwering van den gedaagde, dat hij zich door een voorschot gekweten heeft, ongegrond is verklaard, dan wordt terecht de exceptio rei judicatae opgeworpen tegen dezelfde verwering, gevoerd bij de opvordering van een later vervallen termijn derzelfde lijfrente. — H. R. 23 November 1888; N. R. CL, 134; v. d. H., B. R. L1V, 334.

719. De exceptie van gewijsde zaak kan alleen dan opgaan, als de ingestelde eisch een dusdanige is, dat hij den rechter voor het alternatief stelt van of het eerste vonnis te bevestigen, öf eene tegenstrijdige beslissing te geven, die de eerste zou omverstooten of wijzigen. Dit nu kon niet het geval zijn, wanneer,

— nadat eene vordering tot rekening en verantwoording niet-ontvankelijk was verklaard, omdat alleen de benoeming van een rechter-commissaris werd gevorderd — eene nieuwe vordering tot aflegging dierzelfde rekening is ingesteld, thans echter ook met eene vordering tot uitkeering van het saldo.

— Rechtb. Amsterdam 27 April 1904; W. 8210; Not. W. 309.

720. Nadat eene vordering des ver-

Sluiten