Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rechtb. Arnhem 17 December 1885; | W. 5326.

746. De in art. 1955 B. W. aan liet gewijsde in strafzaken toegekende bewijskracht geldt algemeen, zonder in eenig opzicht beperkt te zijn ten aanzien van personen, tegenover welke die bewijskracht wel en niet zou gelden. — H. R. 15 April 1904. concl. conf; W. 8061; P. v. J. 1904, 353; W. v. N. R. 1798; N. R. CXCVI, 527.

747. De rechter is niet bevoegd om processen-verbaal, die uit de instructie eener strafzaak afkomstig en op legale wijze in het burgerlijk geding gebracht zijn, buiten het geding te stellen. Uit de bepaling van dit artikel volgt niet, dat aan stukken, behoorende tot de instructie eener strafzaak, nimmer eenige bewijskracht in een burgerlijk geschil mag worden toegekend. — Hof 's-Gravenhage 18 April 1887; W. 5469.

748. In een burgerlijke zaak kunnen j vermoedens bewezen worden door een gewijsde in eene strafzaak. — Rechtb. Alkmaar 17 Februari 1895; W. 6684; W. v. N. R. 1317.

749. Indien bij strafvonnis is bewezen verklaard, dat schapen, het eigendom van A, op een bepaalden dag zijn gedood door een hond, waarvoor B aansprakelijk is, dan heeft dat vonnis als gewijsde bewijskracht als vermoeden ten aanzien van den tijd en den eigendom der schapen. — Rechtb. 's-Gravenhage 15 Februari 1898; W. 7160.

750. De bepaling van dit artikel is alleen toepasselijk op Nederlandsclie vonnissen. — Kantong. Rotterdam I 27 Maart 1901; W. 7679.

751. Eene beschikking, waarbij iemand

wegens ontoerekenbaarheid buiten vervolging is gesteld, kan die ontoerekenbaarheid in een civiel geding niet bewijzen. — Hof Amsterdam 27 November 1908; W. 8828.

752. Het vonnis, waarbij iemand door den strafrechter is veroordeeld wegens het zoodanig rijden met een motorrijtuig, dat daardoor de veiligheid van het verkeer werd in gevaar gebracht, bewijst in een burgerlijk geding, waarin is gevorderd schadevergoeding wegens eene verminking, veroorzaakt door eene aanrijding met het motorrijtuig ter gelegenheid voorbedoeld, de wijze van rijden als boven omschreven. — Rechtb. 's-Gravenhage 23 Juni 1909; W. 8898.

Art. 1957.

753. P. V. Az. Strijd tusschen art. 1957 B. W. en art. 1954 jcto 72 B. W. — N. R. B. 1877, A. 183.

754. J. W. E. van Harencarspel. Over kracht van vonnissen van staat. — Ac. Pr. Leiden 1890.

755. Een gewijsde in burgerlijke zaken betrekkelijk den staat van personen, geldt tegen een ieder, ook in dien zin, dat een vonnis, waarbij de ontkentenis van den staat van een kind gegrond is verklaard, — o. a. omdat het overspel der vrouw met een bepaald aangewezen persoon als bewezen is aangenomen, dat overspel met dien bepaald aangewezen persoon ook bewijst in een later geding gevoerd over de stuiting van het huwelijk der vrouw met dien bepaald aangewezen persoon. — Rechtb. Alkmaar 8 Februari 1894; W. 6473.

Art. 1958.

756. W. F. van der Wijck. Opmerking over art. 1958 B. W. — Ac. Pr. Leiden 1885.

Sluiten