Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 1959.

757. Prof. mr. J. F. Houwing. Uitlegging of bewijs door vermoedens. (Naar aanleiding van het arrest van den H. R. van 14 Mei 1909, opgenomen onder no. 518.) — W. v. N. R. 2131—2134, 2175—2179 en 2213—2217.

758. De judex facti kan dit artikel niet verkeerd toepassen door de hem daarbij overgelaten beoordeeling of zekere feiten gewichtig, nauwkeurig, bepaald en met elkander overeenstemmend genoeg

zijn om als vermoedens te gelden. — H. R. ] 30 November 1888, concl. conf.; W. 5652.

759. Als de Hooge Raad een arrest heeft gecasseerd op grond, dat de beslissing was gebaseerd op onwettige

getuigenverklaringen en de zaak heeft teruggewezen, is het Hof niet bevoegd die getuigenverklaringen als vermoedens te bezigen. — H. R. 16 Mei 1890; P. v. J. 1890, 82; N. R. CLV, 73; v. d. H., B. R. LVI, 182.

760. De inhoud van een geschrift kan op zich zelf wel niet bewiizen voor

* ti

hem van wien het afkomstig is, maar de rechter is bevoegd daaruit een vermoeden ten bate van dien persoon te putten. — Rechtb. Arnhem 27 September 1897; W. 7088; T. v. N. XVI, 262.

761. Gerechtelijke bekentenissendoor een van twee procedeerende partijen in een ander geding met een andere tegenpartij afgelegd, kunnen een vermoeden tegen de partij, die ze aflegde, opleveren. — Rechtb. Maastricht 28 December 1895; W. 6908.

762. Een gerechtelijke bekentenis in een vorig geding afgelegd kan wel niet in een later geding tot rechtstreeksch bewijs dienen, doch het staat den rechter

vrij om zoodanige bekentenis in een later geding als eene buiten gerechtelijke te doen gelden en de daaruit te putten vermoedens tot bewijs te doen gelden der gestelde feiten — Rechtb. Rotterdam 15 April 1901; W. 7724; P. v. J. 1903, 286.

763. De rechter is vrij om uit alle feiten en omstandigheden, die hem behoorlijk gebleken zijn, vermoedens af te leiden, dus ook uit den inhoud van een richtig gehouden grootboek, ook al is daarbij niet overgelegd het dagboek, bedoeld in art. 6 K. — H. R. 22 Maart 1901, concl. conf.; W. 7585; P. v. J.

1901, 54; N. R. CLXXXVI1, 514; N. M. v. H. XIII, 106; v. d. H., B. R. LXVII, 193.

764. De waardeering van niet op de wet gegronde vermoedens staat ter beoordeeling van den rechter over de feiten, waarbij de wet niet onderscheidt, van welke zijde de vermoedens afkomstig zijn en evenmin den rechter verbiedt in de gevallen, waarin ze toelaatbaar zijn, ze ambtshalve aan te nemen. — H. R. 1 November 1901, concl. conf.; W. 7670; P. v. J. 1901, 98; N. R. CLXXXIX, 110.

765. De rechter is bevoegd om aan eene scheepsverklaring vermoedens te ontleenen omtrent de destinatieplaats van het schip. — H. R. 28 November

1902, concl. conf.; W. 7838; P. v. J. 1902, 201; N. R. CXCII, 174; N. M. v. H. XIV, 77; v. d. H, B. R. LXVIII, 457.

766. De rechter kan een door hem erkend bestendig gebruikelijk beding als een feitelijk vermoeden gebruiken, dat in verband met andere omstandigheden kan leiden tot het aannemen van de

juistheid der beweringen van partijen. — H. R. 28 December 1906, concl.

Sluiten