Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewijsmiddel in een ander geding dan waarin zij is afgelegd. — Rechtb. Rotterdam 2 December 1889; P. v. J.

1891, 86.

798. Een positum in eene dagvaarding in een ander geding kan nog niet als een gerechtelijke bekentenis van dengene, te wiens verzoeke die dagvaarding geschiedde, worden aangemerkt en zou hoogstens een vermoeden kunnen opleveren. — Rechtb. Amsterdam 19 Mei 1892; P. v. J. 1893, 37.

799. De verklaring van den gedaagde, dat hij een bepaald feit niet kan erkennen, kan niet worden aangemerkt als eene bekentenis, ook al had de gedaagde de gelegenheid om de waarheid van het feit te controleeren. — Rechtb. Amsterdam 22 November 1889; W. 5831.

800. Uit het niet ontkennen van een feit in de dingtalen niet gesteld, met sommatie tot ontkenning of erkenning, kan geene erkentenis wórden afgeleid. — Hof 's-Gravenhage 12 October 1891 ; P. v. J. 1892, 12.

801. Het niet voldoen aan de sommatie tot erkenning of ontkenning van feiten is niet voldoende om die feiten als erkend te beschouwen. — Rechtb. Amsterdam 2 Maart 1892; P. v. J.

1892, 76.

802. Onder bekentenis zijn slechts te begrijpen alle verklaringen der partij omtrent datgene, waarop de tegenpartij aanspraak maakt. — Hof Leeuwarden

24 Juli 1895; W. 6686.

Art. 1961.

803. Mr. L. J. Godefroy. Onsplitsbaarheid der bekentenis. Art. 1961. — W. 4109.

804. A. B. Het stelsel RiemsdijkI Baud. Over de splitsbaarheid der bekentenis. — N. R. B. 1878, A. 249.

805. Mr. Lod. S. Boas. De onsplitsbare bekentenis. — W. 7987, 8020, 8803 en 8813.

Mr. Ph. B. Libourel. Idem. — W. 8807.

806. Slechts omtrent duidelijke en bepaalde bijvoegingen aan de bekentenis

] kan de onsplitsbaarheid worden ingeI roepen. — Rechtb. Zierikzee 23 Maart 1880; N. R. B. 1880, A. 268.

807. De bekentenis is eerst dan onsplitsbaar, als het aan de bekentenis toegevoegde zoo volledig en gepreciseerd is, dat de waarheid daarvan bewezen zijnde, de schuldenaar van elke schuld wordt bevrijd. — Rechtb. Rotterdam 17 October 1892; W. 6283. Hof Amsterdam 5 Juni 1902; P. v. J. 1902, 76.

808. Eene onsplitsbare bekentenis, houdende, dat de gedaagde van den eischer te vorderen heeft zekere som wegens schade, hem door den eischer toegebracht en wegens aan hem verkochte en geleverde goederen, alles zonder eenige nadere aanduiding, is niet onsplitsbaar, omdat de eischer niet in staat is om de onwaarheid der bijvoeging aan te toonen en de rechter niet kan onderzoeken of die bijvoeging bevrijdend is. — Rechtb. Utrecht 21 Juni 1899; W. 7319; Mb. Dw. XV, 6.

809. Als bevrijdende bijvoeging eener bekentenis is niet te beschouwen eene bijvoeging, die geen duidelijk en bepaald

feit behelst, zoodat de tegenjjartij niet in staat gesteld wordt, de valschheid der bijvoeging te bewijzen. — Rechtb. 's-Gravenhage 15 November 1904; W.

8159.

Sluiten