Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

845. De bekentenis, dat men zeker bedrag schuldig is geweest, maar die schuld door kwijtschelding te niet werd gedaan, is onsplitsbaar in weerwil van het bepaalde bij art. 1474 B. W. — Kantong. Groningen 10 Januari 1881; W. 4713. Rechtb. Amsterdam 30 Juni 1893; P. v. J. 1893, 91.

846. Wanneer de rechter uit eene als onsplitsbaar voorgedragen bekentenis afleidt, in de eerste plaats, dat er uit blijkt dat eene beweerde geldleening inderdaad tot stand kwam en in de tweede plaats, dat de door den leener bij gezegde onsplitsbare bekentenis beweerde kwijtschelding niet uit de gestelde feiten volgt, dan heeft de rechter door op grond dier bekentenis in haar geheel genomen, de vordering tot betaling der leenschuld als bewezen aan te nemen, de bekentenis des leeners niet ten onrechte gesplitst. — H. R. 18 Januari 1907, concl. conf.; W. 8492; F. v. J. 1907, 617; N. R. CCV, 71.

„dat hij het geleend geld zou teruggeven, zoodra hij daartoe in staat zou zijn", legt een zuivere bekentenis af, welke toewijzing van de vordering ten gevolge moet hebben. Om die bekentenis onsplitsbaar te doen zijn en toewijzing van den eisch zonder nader bewijs te voorkomen, behoorde gedaagde in zijne bekentenis op te nemen „dat hij alsnog niet tot teruggave in staat is". — Rechtb. Zwolle 6 December 1893; W. 6432; Mb. Dw. IX, 12.

850. De bekentenis van een bedrag schuldig te zijn, onder bijvoeging, dat het bij gedeelten mocht worden betaald naar het gelieven des schuldenaars is onsplitsbaar. — Kantong. Amsterdam II 28 December 1908; W. 8903.

851. Splitsing van bekentenis geschiedt niet, als de rechter de bekentenis in haar geheel laat, doch de ontkentenis interpreteert. — H. R. 18 Februari 1881; W. 4614; v. d. H., B. R. XLVI, 68.

847. Een erkentenis, dat eene zekere schuld is aangegaan, maar later te niet gegaan door de levering van zeker voorwerp voor een bepaald bedrag is ook dan onsplitsbaar, wanneer die levering blijkt te hebben plaats gehad, niet op titel van bruikleen. — Rechtb. Maastricht 16 Maart 1905; W. 8347.

848. De erkentenis eener schuld onder bijvoeging, dat zij eerst opeischbaar zal zijn na de vervulling eener voorwaarde, welke echter geheel van den wil van hem, die de erkentenis aflegt, afhankelijk is, houdt geen onsplitsbare bekentenis in. — Rechtb. Amsterdam 10 April 1894; P. v. J. 1894, 89.

849. De gedaagde, die aangesproken tot teruggave van geleend geld, de geldleening erkent, maar onder toevoeging

852. Dit artikel verbiedt niet aan den rechter om, de erkende feiten in het geheel aannemende, daaruit andere gevolgen af te leiden dan de partij gedaan had, van wie de erkenning afkomstig was. — H. R. 30 Mei 1884; W. 5046; R. W. v. N. 504; N. R. CXXXVII, 117. H. R. 12 November 1909, concl. conf.; W. 8928; P. v. J. 1909, 991; N. R. CCXIII, 128.

853. Er heeft geen splitsing van bekentenis plaats, waar de rechter uit de door den gedaagde tot zijne bevrijding aangevoerde daadzaken andere gevolgtrekkingen heeft gemaakt dan de gedaagde. — H. R. 28 October 1887; W. 5496; v. d. H., B. R. LUI, 293; N. R. CXLVII, 130. H. R. 25 Maart 1898, concl. conf.; W. 7105; P. v. J. 1898, 36; v. d. H., B. R. LXIY, 43; N. R.

Sluiten