Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan de rede niet zijn waar de rechter een deel gebruikt en het ander deel, dat niets bevat, wat de kracht van het gebruikte deel der bekentenis te niet doet, laat liggen. — Rechtb. Groningen 8 Mei 1896; P. v. J. 1896, 50.

930. Hoewel alle verklaringen in den loop van een proces afgelegd als bekentenissen te beschouwen zijn, zoo moet toch, als men ze als één beschouwen wil, blijken van de bedoeling van hem die ze heeft gedaan, om ze te stellen onder de bescherming van het onsplitsbaar aveu. — Hof 's-Gravenhage 8 Juni 1896; W. 6802.

931. Het antwoord, gegeven op een verhoor op vraagpunten is te beschouwen als eene gerechtelijke bekentenis; derhalve mogen deze niet van elkander worden gescheiden; de regel der onsplitsbaarheid is ook daarop van toepassing. — Kantong. 's-Gravenhage 7 September 1896; W. 6875. H. R.

15 Maart 1901, concl. conf.; W. 7579; P. v. J. 1901, 31; N. R. CLXXXVIII, 487; v. d. H., B. R. LXVII, 162.

932. Indien aan een bekentenis wordt vastgeknoopt de bewering omtrent een pactum adjectum, hetwelk na het sluiten der oorspronkelijke overeenkomst daaraan zou zijn toegevoegd, waardoor evenwel deze overeenkomst niet is kunnen veranderen in een voorwaardelijke, waarvan eerst bij voldoening aan dat pactum, de nakoming zou kunnen gevraagd worden, mag de bekentenis als een zuivere tot bewijs der vordering worden aangenomen en kan daarbij van ongeoorloofde splitsing der bekentenis geen sprake zijn. — Rechtb. Roermond

16 October 1896; W. 6786.

933. Waar splitsing eener bekentenis ten gevolge zou hebben, dat een eischer

I ontheven werd van een deel van het bewijs, zonder hetwelk de gedaagde niet jegens hem kon worden veroordeeld, geschiedt die splitsing ten nadeele van den gedaagde. — H. R. 12 November 1896, concl. conf.; W. 6884; P. v. J. 1896, 96.

934. Dit artikel is slechts toepasselijk op eigenlijk gezegde bekentenissen, doch niet op erkentenissen van in facto vero gestelde feiten, vermits de partij die feiten stelt, slechts de ontkende feiten heeft te bewijzen, en feiten met een bijvoeging erkend, voor zuiver erkend moeten worden gehouden. — Rechtb. Roermond 24 Juni 1897; W. 7059; P. v. J. 1897, 96.

935. De bekentenis, dat men gehouden is tot inbreng ónder bijvoeging, dat ook een mede erfgenaam daartoe gehouden is, is niet onsplitsbaar, omdat de verplichting tot inbreng van den eenen erfgenaam bestaat geheel onafhankelijk van die der anderen. — H. R. 6 Januari 1899, concl. conf.; W. 7225; P. v. J. 1899, 7; W. v. N. R. 1524; N. R. CLXXXI, 12; v. d. H., B. R. LXV, 1 (met bevest. Hof Leeuwarden 24 November 1897; W. 7077; T. v. N. XVI, 116).

936. Eene onsplitsbare bekentenis houdt, ook al wordt zij door de partij, tegen wie zij werd afgelegd, verworpen, beteekenis in het geding; immers zij stelt litis contestatie tusschen partijen vast; mitsdien blijft zij van gewicht bij de beoordeeling van andere in liet geding bijgebrachte bewijsmiddelen. — Rechtb. Leeuwarden 9 Maart 1899; W. 7336; Mb. Dw. XV, 10.

937. De bijvoeging, houdende uitlegging eener overeenkomst, maakt eene bekentenis niet onsplitsbaar. — Rechtb.

Sluiten