Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bekentenis, moet bepaalde feiten, die de dwaling aantoonen, stellen, daarvan bewijs leveren of aanbieden. — Rechtb. Amsterdam 2 Juli 1892; W. 6239.

972. Bij de beoordeeling der feiten op grond waarvan de rechter meent te moeten aannemen, dat eene bekentenis op aannemelijke gronden is herroepen, is de rechter geheel vrij en in het bijzonder niet aan de regelen van wettig bewijs gebonden. - H. R. 4 April 1902, concl. conf.; W. 7752; P. v. J. 1902, 146; W. v. N. R. 1709; N. R. CXC, 398; v. d. H., B. R. LXVIII, 155.

973. Eene buitengerechtelijke bekentenis mag — mits op aannemelijke gronden — worden herroepen; het doet dan niet ter zake of de bekentenis mondeling dan wel schriftelijk is afgelegd. — Rechtb. Amsterdam 8 Juni 1906; W. 8569 en 8595; W. v. N. R. 1961.

Art. 1964.

974. Voor het bewijs door middel van een buitengerechtelijke bekentenis van een in rechten betwiste schuld, moet de betrouwbaarheid der getuigen, de juistheid hunner waarneming en de ernst der gedane bekentenis ontwijfelbaar vaststaan. — Hof's-Hertogenbosch ' 28 Maart 1893; W. 6347.

975. Eene akte, houdende erkentenis, dat zekere roerende goederen aan een ander in eigendom toebehooren, kan als buitengerechtelijke bekentenis omtrent dat eigendomsrecht als bewijsmiddel worden gebruikt. — H. R. 4 Juni 1909, concl. conf.; W. 8877; P. v. J. 1909, 866; N. R. CCXII, 150.

976. De buitengerechtelijke erkentenis van een recht bewijst het bestaan van dat recht niet, wanneer niets blijkt van

de feiten, op grond waarvan die erkentenis werd afgelegd. — Hof Amsterdam 27 October 1910; W. 9151.

Art. 1965.

977. Ingeval eener buitengerechtelijke erkenning van feiten schriftelijk gedaan, moet de vraag welke kracht aan die erkenning behoort te worden toegekend, beantwoord worden naar de regels, die de wet ten aanzien van buitengerechtelijke bekentenissen geeft. Krachtens art. 1965 B. W. moet worden aangenomen, dat de kracht van zoodanige bekentenis aan 's rechters oordeel is overgelaten; wel is in dat artikel sprake van eene mondelinge bekentenis, maar, waar de wijze, waarop het afgelegd zijn, ; der bekentenis bewezen wordt, voor hare beteekenis onverschillig is, en art. 1962 B. W. alleen aan de gerechtelijke bekentenis kracht van volledig bewijs toekent, wordt deze bewijskracht evenmin toegekend aan de schriftelijke buitengerechtelijke bekentenis. Evenzeer moet worden aangenomen, dat zoodanige

schriftelijke buitengerechtelijke bekentenis herroepbaar is. — H. R. 4 April 1902, concl. conf.; W. 7752; P. v. J. 1902, 146; N. R. CXC, 398; v. d. H„ B. R. LXVIII, 155.

ZESDE TITEL.

Van den geregtelijken eed.

Art 1966.

978. J. van Davelaar. De eed. — Ac. Pr. Leiden 1882.

979. G. W. Ernste. Eed of verklaring. — Ac. Pr. Amsterdam 1895.

980. Rh. Feith. De decisoire eed. — Ac. Pr. Leiden 1892. Aangek, door mr. A. A. de Pinto in W. 6351.

co

Sluiten