Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het van hem gevorderde en door hem ter leen ontvangen bedrag naar zijn volkomen genoegen te hebben genoten, een eed wordt opgedragen, houdende dat het geld niet ter leen was ontvangen, dan is de rechter — eenmaal de mogelijkheid van het bestaan eener andere schuldoorzaak dan leen aannemende — volkomen gerechtigd om dien eed, die alleen over het al of niet bestaan der gestelde oorzaak handelt, als niet beslissend ter zijde te stellen. — H. R. 26 Januari 1906, concl. conf.; W. 8332; P. v. J. 1906, 516; W. v. N. R. 1904; N. R. CCXI, 105.

Naar aanleiding van dit arr. mr. Paul Scholten. 's Hoogen Raads laatste arrest over de schulderkenning. — W. v. N. R. 1904.

1093. Een beslissende eed kan voorwaardelijk worden opgedragen, voor het geval, dat de rechter van oordeel mocht zijn, dat een afgelegde bekentenis splitsbaar is. — Rechtb. Rotterdam 20 Mei 1891; W. 6165.

1094. Een beslissende eed kan ook voorwaardelijk worden opgelegd. — Rechtb. Utrecht 19 October 1910; W. 9178.

1095. Een decisoire eed geheel subsidiair opgedragen voor het geval de rechter na getuigenverhoor de vordering j niet bewezen mocht achten, is niet admissibel. — Kantong. Amsterdam I

7 Juli 1891; W. 6052.

1096. Een subsidiaire eedsopdracht is onbekend bij de wet en met een goede procesorde in strijd. Zoodanige eedsopdracht kan echter gevolg hebben, als de tegenpartij den subsidiair opgedragen eed heeft aangenomen. — Kantong. Middelburg 6 November 1893; Mb. Dw. XI, 11.

1097. Een subsidiair aangeboden

decisoire eed is niet toelaatbaar. —Hof 's-Hertogenbosch sine die; N. R. B. 1884, A. 311.

1098. Waar subsidiair den eischer een beslissende eed is opgedragen voor het geval hij door het gehouden getuigenverhoor het hem opgelegd bewijs

heeft geleverd, mag de rechter dien eed niet opleggen zonder voorafgaand onderzoek in hoeverre door bedoeld getuigenverhoor het opgelegd bewijs is geleverd.

— Rechtb. Amsterdam 24 September 1896; W. 6882; Mb. Dw. XII, 11.

1099. Het doen eener subsidiaire eedsopdracht, voor het geval de in de eerste plaats opgedragen eed niet mocht worden geacht beslissend te zijn, is geoorloofd.

— Kantong. Groenlo 18 Februari 1896; Mb. Dw. XIII, 4.

1100. De rechter is bevoegd een eed als niet litis decisoir te verklaren, al heeft de tegenpartij aangenomen dien eed uit te zweren. — Rechtb Breda 13 Maart 1883; W. 4943; N. R. B. 1884, A. 311.

1101. Indien bij een eisch meerdere geheel van elkander verschillende vorderingen zijn ingesteld, kan omtrent ieder dier vorderingen een beslissende eed worden opgelegd — Rechtb. Middelburg 18 Juni 1894; Mb. Dw. X, 12. Idem Rechtb Utrecht 14 Juni 1905; W.8267.

1102. De wet verbiedt niet omtrent hetzelfde feit meer dan eenmaal eenen beslissenden eed opteleggen. — Rechtb. Amsterdam 13 Januari 1911; W. 9256.

1103. De rechter is bevoegd om een eed, die geweigerd is, evenwel of> te leggen als blijkt, dat de weigering van dien eed gegrond is op een verkeerde

Sluiten