Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1120. Als een gedaagde den hem opgedragen beslissenden eed heeft afgelegd, moet de vordering worden ontzegd, ook al heeft de gedaagde na eedsaflegging en na te dier zake wegens meineed te zijn veroordeeld, de gegrondheid der vordering erkend. — Rechtb. Zierikzee | 7 Maart 1899; W. 7358.

1121. Ook na een gedane eedsopdracht is de eischer bevoegd, den eisch te verminderen. — Rechtb. Rotterdam 13 Januari 1897; P. v. J. 1897, 38.

1122. Als de rechter bij voorwaardelijk eindvonnis een beslissenden eed heeft opgelegd, kan vóór den dag, waarop de j eed ter terechtzitting zou moeten worden afgelegd, bij request aan den rechter worden verzocht, dien af te nemen ten woonhuize van de partij die hem had af te leggen. — Hof 's-Gravenhage 20 Juni 1899; W.7336; P. v. J. 1899, 97.

1123. De vraag of iemand zich als borg heeft verbonden is van zuiver feitelijken aard en kan dus door een decisoiren eed worden beslist. — Hof Amsterdam 12 October 1894; W. 6-599; P. v. J. 1895, 41; Mb. Dw. X, 11.

1124. De decisoire eed kan door den rechter niet worden gesplitst, alzoo moet de toelaatbaarheid van den eed beoordeeld worden naar den eed in zijn geheel en moet ingeval een deel niet kan worden toegelaten, de eed in zijn geheel worden afgewezen. — Rechtb. Rotterdam 27 Januari 1896; W. 6794; Mb. Dw. XII, 2.

1125. De eed „dat de geïntimeerde van den appellant te vorderen heeft de som van f 2000 enz., is niet toelaatbaar als bevattende een rechtsbeschouwing, geen daadzaak. — Hof's-Hertogenbosch 15 December 1896; W. 6908.

1126. Een decisoire eed kan niet worden opgedragen omtrent een feit waarvan de waarheid ten processe reeds vaststaat en door de tegenpartij is erkend. — Kantong. Middelburg 17 Juli 1893; Mb. Dw. XII, 4.

1127. Door latere eedsopdrachten moeten vroegere geacht worden te zijn ingetrokken; dit kan geschieden zoolang de opgedragen eed door de tegenpartij niet is aangenomen. — Rechtb. Rotterdam 19 Februari 1896; W. 6809; P. v. J. 1896, 80.

1128. Daargelaten of als een gedeelte van een opgedragen eed niet litis decisoir wordt geacht, de opdracht van den geheelen eed moet worden afgewezen, is in ieder geval niet voor oplegging vatbaar een eed omtrent een feit waarover de rechter zich reeds zelfstandig door de uitlegging der tusschen partijen gevoerde correspondentie een oordeel heeft gevormd. — Hof 's-Gravenhage 29 Juni 1896; W. 6846.

1129. Als in een geding eerst de gedaagde, ten einde de juistheid zijner verwering aan te toonen, verzoek doet om den eischer op vraagpunten te doen hooren en daarna de eischer aan den gedaagde een beslissenden eed opdraagt, dan moet alvorens op het verzoek tot het hooren van den eischer op vraagt punten wordt beslist, worden onderzochof de opgedragen eed beslissend is. — Rechtb. 's-Gravenhage 26 November 1895; W. v. N. R. 1357.

1130. De eed aan den voogd opgedragen, dat hij een behoorlijken staat der goederen van den minderjarige aan den toezienden voogd heeft aangeboden, kan niet worden toegelaten, daar het al of niet voldoen van dien staat aan de wettelijke vereischten, niet is een

Sluiten