Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

W. 5584; P. v. J. 1888, 81 Idem. Rechtb. 's-Gravenhage 19 Januari 1897; W. 6962. Idem. Rechtb. Utrecht 27 December 1882; W. 4887. Idem. Hof 's-Gravenhage 9 Januari 1905; W. 8199; P. v. J. 1905, 420 en 9 April 1906; W. 8371; P. v. J. 1906, 591.

1160. Een beslissende eed mag niet loopen over juridische gevolgtrekkingen uit de feiten, waarover het geschil loopt. — Rechtb. Rotterdam 29 Juni 1900; W. 7498; Not. W. 58.

1161. In een geding tusschen eene gehuwde vrouw met bijstand van haren man en een derde gevoerd over eene overeenkomst door haar onder bijstand van haren man met bedoelden derde aangegaan, kan aan den man geen beslissende eed worden opgedragen. — Rechtb Alkmaar 2 Februari 1899; W. 7581.

1162. Aan hem, die door tusschenkomst van een deurwaarder in het openbaar roerende goederen heeft verkocht, kan niet worden opgedragen te zweren, dat de wederpartij dien koop gesloten heeft; zoodanige eed loopt niet over een persoonlijk door den verkooper verricht feit. — Rechtb. Assen 21 Juni 1880; W. 4824.

1163. Aan de formule van een decisoiren eed, omtrent een persoonlijk feit, kan ten verzoeke van hem, wien de eed is opgedragen, niet worden toegevoegd de clausule „voor zoover hem bewust is", althans niet wanneer eene pertinente ontkentenis der gestelde feiten is voorafgegaan. — Rechtb. Amsterdam 10 Januari 1876; N. R. B. 1881, A. 132.

1164. Uit dit artikel volgt, dat het al of niet afleggen van den eed niet van invloed is op eenige andere rechts¬

betrekking dan op die van hem, welke den eed opdraagt en van hem die dien aflegde en dus ook niet op de verhouding tusschen den crediteur en den medegedaagde. — Rechtb. Amsterdam 12 November 1891; W. 6146.

1165. Indien dezelfde eed op drieërlei wijze achtereenvolgens is opgedragen, zoo moeten de vroegere opdrachten geacht worden door de latere ingetrokken te zijn, zoodat alleen de laatste voor de wettige en geldige gehouden moet worden. Indien de eed loopt over verschillende feiten en hij, die den eed opgedragen heeft, slechts omtrent één dier feiten eigen wetenschap kan hebben, zoo kan de eed niet aan hem worden teruggewezen, daar gedeeltelijke terugwijzing van een beslissenden eed niet

! is toegelaten. — Rechtb. Rotterdam 19 Februari 1896; W. 6809; P. v. J. 1896, 80.

1166. Het schuldig zijn aan iemand uithoofde eener met dezen gesloten overeenkomst, is als een persoonlijke verrichting van dezen te beschouwen en dus voor beëediging vatbaar. — Rechtb. Amsterdam 3 November 1891; P. v. J. 1892, 34.

1167. De kwijting van een schuld door een derde is een feit, vatbaar om door een beslissenden eed bewezen te worden. Tardieve bekentenissen des eischers, bij latere conclusiën, kunnen den gedaagde niet het recht ontnemen om te blijven volharden bij den eed, zooals die aanvankelijk wel en terecht naar den toenmaligen stand van het geding was opgedragen. — Rechtb. 's-Gravenhage 6 December 1881; W. 4779.

1168. De opgedragen eed, inhoudende twee ontkenningen, waarvan de tweede

Sluiten