Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bosch 9 Juni 1893; W. 6404 en Rechtb. Amsterdam 27 Januari 1893; P. v. J. 1893, 33.

1178 Naar aanleiding van gemeld vonnis Rechtb. 's-Hertogenbosch: Jhr. mr. J. C. Reynst. Moet een opgedragen eed, wanneer de tegenpartij zich daarover volstrekt niet uitlaat, veel minder dien uitdrukkelijk aanneemt, als geweigerd worden beschouwd ? — W. 6409. (Volgens S. kan een eed ook stilzwijgend zonder bepaalde uiting der partij worden geweigerd.)

1179. Het stilzwijgen van hem aan wien een beslissende eed is opgedragen, moet niet altijd als weigering worden beschouwd om dien eed aan te nemen of terug te wijzen. — H. R. 14 Juni 1895, concl. conf.; W. 6688; P. v. J. 1895, 69; N. R. CLXX, 166; v. d. H., B. R. LXI, 189.

1180. Het stilzwijgen op eene eedsopdracht is te beschouwen als eene weigering van dien eed, tenzij die persoon in de onmogelijkheid mocht verkeeren om zijn wil te verklaren, daar in dat geval van weigering geen sprake is en die Weigering evenmin mag worden verondersteld. Zoodanige onmogelijkheid moet worden aangenomen in geval van krankzinnigheid na de eedsopdracht ontstaan. — Rechtb. Arnhem 12 November 1900; Not. W. 63.

1181. Degene die ten dage voor de eedsaflegging bestemd, ziek was en daardoor verhinderd is zijn woonplaats te verlaten, ten einde ter terechtzitting den hem opgedragen eed af te leggen, kan niet geacht worden den eed te hebben geweigerd. De wederpartij die zich tegen het nog afleggen van den eed verzet, moet in de kosten van de daardoor ontstane incidenteele procedure veroor¬

deeld worden. — Rechtb. 's-Gravenhage 13 April 1897; W. 6991.

1182. De partij, die ten dienenden dage niet tot het afleggen van een haar opgelegden decisoiren eed is verschenen, kan alleen dan nog tot het afleggen van den eed worden toegelaten, wanneer zij vooraf de aanwezigheid van een wettig beletsel om den eed af te leggen heeft aangetoond. — Hof Amsterdam 27 Januari 1911; W. 9186.

1183. Bij terugwijzing van een opgedragen eed kan daarin geen verandering of wijziging worden gebracht. Indien de vordering bestaat uit vier verschillende, niet met elkander in verband staande posten, dan kan de decisoire eed, welke die vier posten omvat, afzonderlijk worden opgedragen en afgelegd voor iederen post waarop hij doelt. — Rechtb. Amsterdam 15 September 1887; W. 5531; P. v. J. 1888, 59.

1184. Volgens dit artikel moet de beslissende eed zoodanig luiden, dat hij vatbaar is om in zijn geheel te worden aangenomen. Derhalve is dit artikel geschonden door de oplegging van een eed, omvattende drie verschillende posten, waaromtrent verschillende verdediging mogelijk en ook gevoerd is en bij tegenspraak waarvan denkbaar is, dat de eed ten aanzien van den eenen post aangenomen, ten aanzien van den anderen geweigerd kan worden. — H. R. 24 October 1895, concl. contr.; W. 6726; P. v. J. 1895, 91; N. R. CLXXI, 84; v. d. H., B. R. LXI, 242.

1185. De betwisting van het litis decisoire van een opgedragen eed is niet altijd te beschouwen als een weigering om dien eed af te leggen. — H. R. 25 Mei 1877; W. 4132; N. R. B. 1881, A. 144; v. d. H., B. R. XLII, 276.

Sluiten