Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1264. De rechter, eenen beslissenden eed opdragende, kan daarbij een dag voor de aflegging bepalen ook al heeft geen der partijen eene dagbepaling gevraagd. Derhalve kan uit het niet afleggen van den eed op den bepaalden dag eene eedsweigering worden afgelegd. — H. R. 10 November 1911, concl. conf.; W. 9285.

1265. De wet vordert niet, dat de af te leggen eed woordelijk in de volmacht is opgenomen. — Rechtb. Amsterdam 1 Maart 1889; YV. 5694; R. W.v.N.650,

1266. Het woord „nauwkeurig" in dit artikel komt in zakelijken inhoud overeen met een in de volmacht woordelijke vermelding van de te beëedigen verklaring. Aan het woord „omstandig" in dit artikel moet de beteekenis worden toegekend, dat aan den nauwkeurigen en woordelijken inhoud van de te beeedigen verklaring tevens moet verbonden worden de vermelding van het geding of althans van het vonnis, waarbij, alsmede van het rechtscollege, waarvoor de eed moet worden afgelegd. — Rechtb. Amsterdam 15 Maart 1889; W. 5699.

1267. De vreemdeling, aan wien een eed wordt opgelegd, is gerechtigd de reis- en verblijfkosten, veroorzaakt door zijn overkomst tot het afleggen van den eed, aan zijn tegenpartij onder de kosten in rekening te brengen. — Rechtb. Rotterdam 15 Februari 1893; W. 6314.

1268. Waar de rechter aan den eischer een suppletoiren eed heeft opgelegd en deze den gedaagde heeft opgeroepen om den eed ter terechtzitting te hooren afleggen, kan hij in het algemeen niet geacht worden den eed te hebben geweigerd, zoo ter terechtzitting zijn gemachtigde aanwezig was om den eed af te leggen, doch de rechter dezen daartoe

niet heeft toegelaten. In dat geval zullen de omstandigheden en de redenen der niet-verscliijning moeten uitmaken of zij al dan niet als eedsweigering zijn te beschouwen. — Hof 's Gravenhage 28 December 1896; W. 6934.

ZEVENDE TITEL.

Van verjaring.

Eerste Afdeeling.

Van verjaring in het algemeen.

Art. 1983.

1269. A. F. van Lynden Bijdrage tot de leer der verjaring en der wettelijke vervaltermijnen op privaatrechtelijk gebied. — Ac. Pr. Utrecht 1881. Beoord. door mr. P. A. R. A. van Ittersum in N. R. B. 1881, 511.

1270. B. E. Asscher. De verjaring in het internationaal privaatrecht. — Ac Pr. Amsterdam 1881.

1271. Verjaring ingeroepen door in Nederland gevestigde gedaagden wordt beheerscht door de Nederlandsche wet, al is het ook, dat de akte van scheiding en deeling tusschen partijen buitenslands is verleden, waar ook de nalatenschap is opengevallen. — Hof's-Hertogenbosch 21 Maart 1882; W. 4807.

1272. Eene verkrijging van jachtrecht door verjaring door den vasal tegen zijnen leenheer is naar den regel van de Zutphensche leenrechten „contra principem non praescribit.ur" uitgesloten. — Hof Arnhem 8 Juni 1887; W. 5454.

1273. Ook niet in onze wet genoemde zakelijke rechten kunnen door verjaring worden verkregen. — Rechtb. Rotterdam 27 Januari 1902; W. 7829; P. v. J. 1903, 217; VV. v. N. R. 1733.

Sluiten