Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 1985.

1274. Door een stuk grond in huur aan te nemen kan de huurder niet geacht worden stilzwijgend afstand te hebben gedaan van eene daarvoor voltooide acquisitieve verjaring. — Rechtb. Leeuwarden 10 Januari 1907; W. 8514; W. v. N. R. 1983.

Art. 1987.

1275. De opmerking in het lichaam der conclusie, dat de vordering is veriaard, brengt geen niet ontvankelijkheid teweeg, zoolang niet uitdrukkelijk de exceptie van verjaring is voorgesteld. — Rechtb. Amsterdam 18 Mei 1894; W. 6499.

In denzelfden zin Hof Arnhem 1 October 1879; W. 4438.

1276. Waar de eischer, ofschoon het woord „verjaring'' niet bezigende, echter inderdaad zich beroepen heeft op verjaring als middel van verkrijging van het door hem beweerd zakelijk recht, heeft de rechter door op grond hiervan het bestaan van dat recht aan te nemen, dit artikel niet geschonden. — H. R. 12 Februari 1897, concl. conf.; W. 6928; P. v. J. 1897, 24; W. v. N. R. 1427; N. R, CLXXY, 191; v. d. H., B. R. LXIII, 82.

Art. 1988.

1277. Al mag men zich volgens dit artikel in eiken stand van het geding op de verjaring beroepen, zoo kan dit middel toch niet eerst bij pleidooi worden voorgesteld. — Hof Amsterdam 31 Maart 1881; W. 4657.

1278. Waar de verjaring in eiken stand van het geding kan worden ingeroepen, kan men beginnen met zich tegen de vordering op andere wijze te verweren en verliest men hierdoor zijn

bevoegdheid ten aanzien dier exceptie niet. — Rechtb. Amsterdam 6 Maart 1891; W. 6036; P. v. J. 1891, 84.

1279. De exceptie van verjaring moet uitdrukkelijk worden voorgesteld. Op een ter loops melding maken van de meening, dat het vorderingsrecht is verjaard, gevolgd van een conclusie tot algemeene niet-ontvankelijk verklaring, kan geen acht worden geslagen. — Rechtb. Amsterdam 7 April 1892; W. 6202.

1280. De juistheid van een beroep op dit artikel hangt af van de beslissing omtrent de vraag of er nog een staat van het geding over de hoofdvraag waaromtrent de verjaring werd opgeworpen, open was, toen dat middel ingeroepen werd. — H. R. 9 Mei 1895; W. 6669; P. v. J. 1895, 63.

1281. Uit het feit, dat een gedaagde aanvankelijk het bestaan van het recht, op grond waarvan gedagvaard werd, ontkende, mag geen afstand van verjaring worden afgeleid. Derhalve staat ook na zoodanige ontkentenis een beroep op verjaring open. — Kantong. Middelburg 23 September 1895; Mb. Dw. XI, 19.

1282. Ook bij pleidooi kan een beroep op verjaring worden gedaan. — Rechtb. Rotterdam 27 Januari 1902; W. 7829.

Art, 1990.

1283. Eertijds kon hier te lande en speciaal ook nog gedurende de Republiek het recht van tolheffing op rivieren, stroomen en heerwegen, behoorende aan den Staat, door verjaring verkregen worden, evenals alle andere dominiale rechten. — Rechtb. Utrecht 28 Juni 1882; W. 4837.

Sluiten