Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1284. De bermen der openbare straatwegen moeten, tot bewijs van het tegendeel, geacht worden daarvan een deel uit te maken; zij zijn derhalve buiten den handel en onvatbaar voor verkrijgen door verjaring. — Hof Amsterdam 19 November 1886; W. 5429.

(Zie nos. 162, 165 en 168, Deel II.)

1285. Een aan de gemeente publiekrechtelijk behoorende straat, zoolang zij ten openbaren dienste bestemd is, is een zaak buiten den handel. Op zoodanige openbare straat kan geen erfdienstbaarheid worden verkregen of door verjaring gevestigd worden. Hieruit volgt, dat de eigenaar van een aan die straat gelegen woning de bevoegdheid mist om, indien zulks bij de gemeente-verordening niet is verboden, het van zijn dak komend regenwater te doen loopen op de openbare straat. — Hof 's-Gravenhage 7 December 1891; W. 6127; P. v. J. 1892, 6; Gemst. 2105; W. B.A. 2226. (Met bevest. Rechtb. Middelburg 26 November 1890; W. 6048; W. B. A. 2206.)

Art. 1991.

1286. De wet van 8 November 1815 (St. 51) waarbij voor pretensiën ten laste van het Rijk eene korte verjaring is aangenomen, is niet afgeschaft door dit artikel. — H. R. 24 Maart 1893, concl. conf. (met verniet. Rechtb. Winschoten 14 September 1894); W. 6323; P. v. J. 1893, 49; W. B. A. 2293; Lutt. 1893, 83; N. R. CLXIII, 241; P. W. 8377; Mb. Dw. X, 8; v. d. H., B. R. L1X, 112.

1287. Ook op vorderingen uit het publiek recht voortspruitende, zijn de regelen der verjaring van het burgerlijk recht toepasselijk. — Hof's-Gravenhage 16 December 1907; W. 8636; P. v. J. 1907, 748, (met verniet. Rechtb. aldaar 9 Januari 1906; W. 8327). Cassatie

verworpen H. R. 19 Juni 1908, concl. conf.; W. 8722; P. v. J. 1908, 766; VV. B. A. 3091.

Art. 1992.

1288. Hij, die meent eigenaar van eenig goed te zijn, kan zulks niet door verjaring verkrijgen, indien die meening een gevolg is van eene dwaling in het recht. — Hof Arnhem 13 Maart 1889; W. 5690; P. v. J. 1889, 42 en 18 September 1889; W. 5788; P. v. J. 1889, 116. (Bevest. bij het volgende arr.)

1289. Bezit in strijd met eigen titel is althans rechtens geen bezit te goeder trouw en kan niet tot verjaring leiden. In dat geval kan zelfs de bestaande vaste overtuiging des bezitters, dat hij eigenaar is, als zijnde een errór juris hem niet baten. — H. R 3 April 1890, concl. conf.; W. 5859; P. v. J. 1890, 62; N. R. CL'II, 299; v. d H., B. R. LVI, 119.

1290. De beslissing van den rechter, dat de feiten, aangeboden tot bewijs, niet inhouden de vereischten om door verjaring den eigendom eener zaak te verkrijgen, immers in die feiten niet liggen opgesloten de vereischten voor een niet dubbelzinnig bezit en een bezit als eigenaar, zijn feitelijk, waarop in cassatie niet kan worden teruggekomen. — H. R. 13 Mei 1892; W. 6189.

1291. Als tusschen partijen geschil bestaat over de vraag of een stuk grond hun, of wel ieder voor de verdeelde helft, of wel te zamen in onverdeeldheid toebehoort, mag hij, die het laatste beweert, niet worden toegelaten tot het bewijs, dat beide partijen den gemeenschappelijken eigendom door verjaring hebben verkregen. — Rechtb. Assen 22 Januari 1895; W. 6469.

1292. Er kan geen sprake zijn van

Sluiten