Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een openbaar bezit in den zin van art. 1992 B. W. wanneer de beweerde bezitter van eenig onroerend goed dat goed ten name van een ander heeft doen overschrijven ten einde het te doen voorkomen, dat de eigendom van het goed bij dien ander is. — Hof Leeuwarden 23 Juni 1909, W. 9010.

(Zie nog nr. 121, Deel II.

Art. 1995.

1293. F. J. Vlamingh Kiebert. Eenige opmerkingen naar aanleiding van art. 1995 van het B. W. — Ac Pr. Utrecht 1894. Aangek, door H. M. J. Wattel in W. v. N. R. 1291.

1294. Hij, die beweert eene voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheid door verjaring te hebben verkregen, kan bij zijn eigen bezit dat van den vorigen bezitter slechts dan yoegen, als hij bij titel aan dien vorigen bezitter en den eigendom van het heerschende erf is opgevolgd en dus niet als hij zonder titel den eigendom van dat erf heeft verkregen. — Hof 's-Hertogenbosch 18 Januari 1881; W. 4643.

1295. Tegen het door den eischer geleverd bewijs, dat hij een zeker perceel heeft verkregen door levering tengevolge van een rechtstitel van eigendomsovergang, zich aansluitende aan gelijke titels van vorige bezitters over een tijdvak van meer dan 50 jaren wordt de ontkenning van het recht van al die voorgangers gemotiveerd, indien de gedaagde zelf geen titel van aankomst produceert — Hof Leeuwarden 5 Mei 1886; W. 5392.

1296. Iemand, die bezit verkrijgt krachtens eene bij geschrifte geconstateerde koopovereenkomst moet geacht worden de zaak te hebben verkregen op eene wijze als bedoeld in art. 1995 B. W.

en mag dus ter berekening van den tijd noodig voor verkrijging door verjaring zijn bezit bij dat zijns voorgangers voegen. Het is dan onnoodig, dat de titel van verkrijging ingeschreven zij. — H. R. 14 December 1906, concl. conf.; W. 8472; P. v. J. 1907, 650; W. v. N. R. 1943; W. v. Not. 72; N. R. CCIV, 251.

1297. Voor de toepassing van art. 1995 B. W. is het niet voldoende, dat het eigen bezit is gevolgd op dat van den voorganger in het bezit, maar moet worden aangetoond, dat men dien voorganger op welke wijze dan ook in het bezit is opgevolgd, m. a. w. dat men is aangevangen te bezitten, nadat de voorganger zijn goed wilde afstaan en zich van het bezit daarvan had ontdaan. — Hof Amsterdam 27 0ctoberl910; W. 9151.

Art. 1996.

1298. Het bezit eener zaak als eigenaar ter verkrijging van verjaring kan worden voortgezet door middel van den precarius. — H. R. 21 December 1883; W. 4999; v. d. H., B. R. XLIX, 101.

1299. Hij, die zelf opgeeft zijn bezit als erfpachter en dan voor een ander te hebben begonnen, kan nooit door verjaring het goed voor zich zelf verkrijgen. — H. R 4 Januari 1884, concl. conf.; W. 5002; v. d. H., B. R. XLIX, 127.

Art. 1997.

1300. Er kan nimmer sprake zijn, dat een huurder door verjaring eigendom verkrijgt, wanneer hij wel zich eigenaar genoemd en ook zich zelf als zoodanig beschouwd heeft, maar daarnaast ook steeds de verschuldigde huur betaald heeft. — Rechtb. Leeuwarden 7 November 1907; W. 8624 en 8625; P. v. J. 701—704.

Sluiten