Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1340. Hij, die op de vordering van een geneesheer tot betaling van gemaakte visites efi geleverde geneesmiddelen antwoordt, dat de visites hem mogelijk, maar de geleverde medicijnen hem geheel onwaarschijnlijk voorkomen, wordt daardoor niet belet, de korte verjaring van art. 2006 B. W. in te roepen. — Rechtb. 's-Gravenhage 28 Februari 1888; W. 5567; Mb. Dw. IV, 6.

1341. Op hetgeen de deurwaarder als praktizijn heeft verdiend, is de korte verjaring van dit artikel niet van toepassing. — Kan tong. Harderwijk 7 Juni 1899; Mb. Dw. XV, 4.

Art. 2007.

1342. De bepaling van dit artikel is toepasselijk op de rechtsvordering van zaakwaarnemers tot betaling hunner verdiensten. — Kantong. Groenlo 5 Juli 1887; W. v. N. R. 996.

1343. Waar het bestaan der verbintenis zelve wordt betwist, staat beroep op de verjaring van dit artikel niet vrij en kan de in art. 2010 genoemde eed niet worden opgedragen. — Rechtb. Amsterdam 19 November 1896; W. 6905.

1344. De korte verjaring van art. 2007 B. W. is ook toepasselijk op de verschotten van den advocaat doch niet op de verschotten door eenen advocaatverdediger in eene strafzaak gemaakt

— Kan tong. Roermond 3 October 1903; P. v. J. 1905, 404.

Art. 2008.

1345. Een fabrikant, die uit grondstoffen glaswaren vervaardigt, om die daarna en gros te verkoopen en de koopman die gefabriceerde glaswaren koopt om en détail weer af te zetten,

Cremebs, Aant, B. W.

moeten met het oog op art. 2008 B. W. gehouden worden voor kooplieden, die denzelfden handel drijven. —Hof Leeuwarden 11 Juni 1879; W. 4634.

1346. De verjaring, bij dit artikel bedoeld, wordt terecht ingeroepen tegen eene vordering, tot betaling van winkelwaren, als vaststaat, dat de eischer koopman en winkelier en de gedaagde landbouwer is, terwijl noch het opmaken eener schriftelijke schuldbekentenis, noch stuiting der verjaring bewezen zijn. — Rechtb. Assen 23 Mei 1881; W. 4812.

1347. Onder kooplieden die denzelfden handel drijven, moeten worden verstaan zij, die hoezeer onder een anderen naam en op verschillende wijze een gelijk-

soortigen handel drijven, zoodat de leveringen door den eenen koopman aan den anderen zijn geschied, als zoodanig en ter zake van zijnen handel. — Kantong. Groenlo 14 April 1896; W. 6828; W. v. N. R. 1392.

1348. Onder kooplieden, die in den zin van dit artikel denzelfden handel drijven, moeten ook begrepen worden de kooplieden, waarvan de handel geheel verschillend is, maar waarvan desniettemin de een van den ander koopt voor zijnen handel, niet om in het gekochte handel te drijven, maar om het in zijn bedrijf te gebruiken, zooals een stalhouder, die hooi koopt van een handelaar in dat artikel. — Rechtb. Rotterdam 20 Juni 1900; P. v. J. 1901, 26; Mb. Dw. XVII, 2.

1349. Al wordt aangenomen, dat de wetgever bij het vaststellen van het voorschrift van dit artikel is geleid door het vermoeden, dat de schuld na verloop van het bepaald getal jaren is betaald, zou de vastgestelde verjaring daardoor niet worden een wettelijk vermoeden

6-2*

Sluiten