Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gifte eener geboorte, voorgeschreven in de artt. 29 en 30 B. VV. aan den ambtenaar van den Burgerlijken Stand te doen. Zij kunnen niet volstaan met eene aangifte aan den Consul van hun land. — H. R. 6 Januari 1908, concl. conf.; W. 8648; W. B. A. 3067; Gemst. 2948; Lutt. 1908, 15; N. R. CCVIII, 18.

19. De ambtenaar van den Burgerlijken Stand is onbevoegd om na verloop van den termijn, in art. 29 B. W. gesteld, eene geboorte-akte op te maken, immers aan de prudentie van dezen ambtenaar kan niet worden overgelaten door een voldongen feit, de waarborgen, die het Burgerlijk Wetboek geeft in de procedure tot aanvulling van de registers van den Burgerlijken Stand illusoir te maken. — Concl. O. M. bij den H. R. 13 November 1911; Gemst. 3138.

Vergel. H. R. 9 December 1911; Gemst. 3142.

H. R. 11 December 1911, concl. conf.; W. 9265; Gemst. 3155; W. B A. 3271; N. R CCXIX, 310.

Naar aanleiding van het laatste arrest. De Hooge Raad en de Burgerlijke Stand. — Gemst. 3157.

Art. 30.

20. Hoe men ook moge oordeelen over de twistvragen, waartoe de bewoordingen van art 30 B. W. aanleiding hebben gegeven, uit dat artikel volgt onbetwist, dat, wanneer de moeder in hare woning bevallen is, eerst bij gebreke van den vader op de bij de bevalling tegenwoordig zijnde personen eenige verplichting tot aangifte rust en dat bij bevalling der moeder buiten hare woning de persoon, ten wiens huize zij is bevallen, tot die aangifte verplicht kan zijn. Voor de telastelegging van verzuim der in dat art. 30 opgelegde verplichting tot aangifte, is dus in geen

geval voldoende, dat in de dagvaarding alleen worde gesteld, dat de beweerdelijk tot a,angifte verplichte persoon „bij de bevalling is tegenwoordig geweest". — H. R. 6 Juni 1910, concl. conf.; W. 9049; P. v. J. 1910, 968.

Art. 48.

21. Krachtens art. 48 B. W. behoeft van bet vonnis van echtscheiding slechts datgene te worden ingeschreven, waarop het voor de inschrijving uitsluitend aankomt, dus niet de overwegingen of de feiten, waarop de uitspraak berust. — Hof 's-Gravenhage 7 Februari 1910; W. 9005; Gemst. 3068.

22. De verplichting van den ambtenaar van den Burgerlijken Stand tot inschrijving van echtscheiding vloeit voort uit art. 48 j° 13 B. W. — Rechtb. Amsterdam 13 Mei 1912; W. 9408; W. v. N. R. 2232.

In denzelfden zin H. R. 14 Maart 1913,

concl. conf.; W. 9487; W. v. N. R. 2268.

1 1

Art. 50.

23. Overlijdens-aangiften. — Gemst. 2970.

24. Ook de personen, op wier verklaring volgens art. 50 B. W. de akten van overlijden moeten worden opgemaakt, moeten als getuigen voldoen aan de bij art. 20 B. W. gestelde eischen; het kunnen mitsdien geene vrouwen zijn. — H. R 28 Februari 1908, concl. contr.; W. 8667; P. v. J. 1908, 741; Gemst. 2953; W. B. A. 3073; N. R. CCVIII, 304 (met verniet. Rechtb. Zwolle 27 November 1907; W. 8616; W. B. A. 3056; Gemst. 2940, vermeld onder no. 79 Deel I). Naar aanleiding hiervan: Getuigen of aangevers bij overlijdensakten. — Gemst. 2962.

Sluiten