Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 70.

25. Nu van een geslachtloos persoon, aanvankelijk als meisje in de registers van den Burgerlijken Stand ingeschreven, blijkt, dat hij meer tot het mannelijk, dan tot het vrouwelijk geslacht neigt, moet hij met verbetering zijner geboorte-akte ten aanzien van dit punt, als zijnde van het mannelijk geslacht, worden ingeschreven. — Rechtb. Rotterdam 13 Februari 1908; W. 8816.

26. Art. 70 B. W. doelt op het geval, dat volgens de wettelijke voorschriften registers hadden moeten bestaan, maar in strijd daarmede niet werden gehouden, dus niet op het geval, dat in consulaire registers niet is ingeschreven eene akte, die had moeten worden opgemaakt op een tijdstip, waarop het houden dier registers nog niet was voorgeschreven. — Hof 's-Gravenhage 23 November 1908; W. 8778; P. v. J. 1908, 806; W. B. A. 3118.

27. Wanneer door een Nederlandschen ambtenaar van den Burgerlijken Stand in zijne registers is ingeschreven de in het buitenland opgemaakte overlijdensakte van een aldaar overleden ingezetene zijner gemeente, dan kan hier te lande verbetering worden gevraagd van eene fout bij de inschrijving gemaakt maar niet van de in het buitenland opgemaakte overlijdensakte. — H. R. 21 Juni 1912, concl. conf.; W. 9363; W. B. A. 3306.

28. Art. 70 B. W. als grond tot aanvulling of verbetering der registers van den Burgerlijken Stand vermeldende het geval, „wanneer akten daaraan ontbreken" heeft uitsluitend het oog op akten, welke met inachtneming van art. 16 en volg. B. W. in de registers moeten worden ingeschreven, niet dus op eene aanteekening van de verheffing in den

adelstand op den kant van de reeds ingeschreven geboorte-akte. — H. 11. 27 Juni 1913, concl. conf.; W. 9525.

Art. 74.

29. Art. 74 B. W. wijst het werkelijk verblijf aan als de woonplaats, niet als geen hoofdverblijf in Nederland is gevestigd, maar als zulk eene woonplaats ontbreekt, in het algemeen dus, als zulks èn in Nederland èn in het buitenland het geval is. — Hof 's-Gravenhage, 6 November 1907; W. 8620; P. v. J. 1908, 71-5; W. v. Not. 123. Cassatie verworpen H. R. 23 Januari 1908, concl. conf.; W. 86-56; P. v. J. 1908, 715; W. v. Not. 141; N. R. CCVIII, 93.

30. De plaats, waar iemand feitelijk ' noch rechtens zijn verblijf kan vestigen,

kan bezwaarlijk zijne woonplaats zijn. Mitsdien kan de door den President der Rechtbank aangewezen woonplaats, waar de vrouw, hangende eene echtscheidingsprocedure verblijf houdt, nooit als de woonplaats van den man worden beschouwd. — Kantong. Amsterdam I 6 April 1909; W. 9066.

31. Iemand, die bij zijne meerderjarigheid zoodanig krankzinnig was, dat hij niet in staat was te achten, om zijne woonplaats ergens te vestigen, kan niet geacht worden na die meerderjarigheid zijne woonplaats te hebben behouden, daar waar hij vóór dien wettelijk was gedomicilieerd en moet dus geacht worden zonder woonplaats te zijn. — K. B. 21 Januari 1909 (St. 15); \V. B. A. 3113; Gemst. 2994; R. v. S. 1909, 154; Lutt. 1909, 52.

32. Een rechtspersoon heeft haar domicilie ter plaatse waar zij is gevestigd. — Recht. Utrecht 8 Februari 1911; W. 9177.

Sluiten