Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zinsnede van dat artikel bedoelde personen aan kennis van een huwelijk in een vreemd land aangegaan, niet mag worden gedacht, zoolang de echtgenooten zullen zijn in gebreke gebleven om de akte van huwelijksvoltrekking overeenkomstig de voorschriften van art. 139 B. W. in de openbare registers te doen inschrijven en eerst zoodra nö, de inschrijving die personen van het huwelijk kennis dragen, intreedt de termijn van zes maanden der tweede alinea van het artikel. — Rechtb. 's-Gravenhage 13 April 1910; W. 9137.

59. De uitdrukking „wordt die kennis niet verondersteld'', voorkomende in art. 146, al. 3 B. W. heeft de beteekenis van „mag aan die kennis niet worden gedacht", omdat uit niets blijkt, dat de wetgever aan het woord „veronderstellen" eene andere beteekenis heeft willen toekennen dan die dat woord in hetdagelijksche leven heeft, namelijk die van „de mogelijkheid van iets aannemen". De uitdrukking „in gebreke zullen zijn gebleven" in art. 146, al. 3 B. W. behoort niet anders te worden opgevat dan bloot in den zin van „zullen hebben nagelaten". — Hof's-Gravenhage 15 Mei 1911; W. 9216.

60. De woorden „zullen zijn in gebreke gebleven" in het derde lid van art. 146 B. W. hebben geene andere beteekenis dan die van gewone „nalatigheid" zonder dat daarbij aan het vereischte van mora kan worden gedacht. — H. R. 15 December 1911, concl. conf.; W. 9286; W. v. Not. 368; N. R. CCXIX, 353.

61. De echtgenooten, die overeenkomstig het 2e lid van art. 146 B. W. tot staving van eene door hen beweerde niet-ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring van hun huwelijk een beroep doen op bekendheid daar¬

mede van hen, wier toestemming daartoe werd vereischt, zullen naar de gewone regelen der bewijsleer die bekendheid hebben te bewijzen. Ten aanzien van huwelijken in een vreemd land aangegaan, zal, krachtens het voorschrift van het derde lid van art. 146 B. W. zoodanige bewijslevering zijn uitgesloten, zoolang de akte van huwelijksvoltrekking niet in de daartoe bestemde registers zal zijn overgeschreven. — H. R. 15 December 1911, concl. conf; W. 9286; W. v. Not. 368; N. R. CCXIX, 353.

Art. 16».

62. Krachtens art. 160 B. W. is de man aansprakelijk voor het beheer der goederen der vrouw, ook al heeft hij dat beheer feitelijk niet gevoerd maar de goederen onder handen der vrouw gelaten. — Hof Arnhem 16 Februari 1910; W. 9005; W. v. N. R. 2115; W. v. Not. 256. (Bevest. bij het volgende arr.)

63. De man is ter zake van het door hem over de goederen der vrouw krachtens art. 160 B. W. gevoerd beheer, verantwoording schuldig aan zijne vrouw en kan zich aan die verantwoordelijkheid alleen onttrekken door te stellen en te bewijzen dat het aan de vrouw toekomend bedrag zich nog in hare handen bevindt of wel dat dit bedrag is uitgegeven op eene wijze, welke den man niet als verzuim in zijn beheer kan worden toegerekend. — H. R. 24 Februari 1911, concl. contr.; W. 9146; W. v. N. R. 2164; W. v. Not. 303; N. R. CCXVII, 176.

64. Wanneer tegen den man vanwaardeverklaring gevorderd wordt van een conservatoir beslag op goederen, personeel eigendom der vrouw gelegd, dan is zij bevoegd in dat geding te intervenieeren. Die bevoegdheid kan

Sluiten