Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar niet worden betwist, omdat de man toch reeds voor hare rechten zou hebben te waken. — Rechtb. Rotterdam 21 Mei 1908; W. 8808.

65. Nadat een man buiten elke gemeenschap gehuwd, met medeneming van effecten en contante gelden, doch met achterlating van meubelen, de echtelijke woning had verlaten, verliet ook de vrouw deze met medeneming der meubelen, die zij ten huize harer moeder opsloeg. Na eenigen tijd nam de man daar de meubelen in revindicatoir beslag en vorderde hij met de van waarde verklaring van dat beslag veroordeeling tot afgifte der meubelen. Deze vordering behoort te worden toegewezen. — Rechtb. Amsterdam 25 April 1910; P. v. J. 1910, 947.

66. Het is voldoende dat, in welken vorm dan ook, van bijstand en machtiging der vrouw blijkt; zulks is het geval, als de dagvaarding inhoudt, dat zij is uitgebracht ten verzoeke der vrouw, bijgestaan en gemachtigd door haren man, omdat daarin de verklaring ligt opgesloten van den deurwaarder, dat hem de noodige opdracht is gegeven door de vrouw onder bijstand van haren echtgenoot. — Hof Amsterdam 17 Mei 1912; W. 9406.

67. Art. 160 B. W. bepaalt zich er toe den man het recht te verleenen de goederen van zijne vrouw te beheeren, doch houdt niet in een verbod aan de gehuwde vrouw om zich met het beheer der haar persoonlijk toebehoorende goederen in te laten. Op het beheersrecht van den man wordt geen inbreuk gemaakt wanneer man en vrouw te zamen eenige daad van beheer verrichten. — Hof Amsterdam 5 Mei 1913; W. 9569.

Art. 162.

68. Noch uit de woorden van art. 162, al. 2 B. W., noch uit het stelsel der wetgeving volgt, dat, waar door bijzondere omstandigheden de voldoening aan de verplichting tot samenwoning onmogelijk is, ook de wettelijke verplichting, voorzoover zij mogelijk is, n.1. tot onderhoud, zou ophouden. — Rechtb. Amsterdam 8 Januari 1909; W. 8964; W. v. Not. 294. (Zie nos. 305—307 Deel I.)

69. Art. 162 B. W. vindt ook toepassing, wanneer buiten echtscheiding of scheiding van tafel en bed, de samenwoning is opgeheven, doordat de man weigerachtig is zijne vrouw in de echtelijke woning te ontvangen of doordat de samenwoning in gemeen overleg is opgeheven, of wel doordat er omstandigheden aanwezig zijn, waardoor deze is uitgesloten. — Hof Arnhem 21 Februari 1911; W. 9169.

Art. 163.

70. De rechtspositie van de gehuwde vrouw. — W. 9329.

Vgl. mr. A. S. Oppenheim, jhr. mr. W. Th. C. van Doorn en de Redactie.

— W. 9331.

Mr. J. C. van Oven en de Redactie.

— W. 9333.

71. Art. 163 schrijft alleen voor het tot stand brengen der verbintenis de schriftelijke toestemming voor, niet voor

| elk wettelijk middel b.v. bekrachtiging, waardoor later het aan die totstandkoming klevend gebrek kan worden verholpen. — H. R. 14 -Januari 1898, concl. conf.; W. 7075; P. v. .J. 1898, 9; W. v. N. R. 1467; N. R. CLXXVIII, 46; v. d. H., B. R. LXIV, 6.

Sluiten