Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

72. Eene gehuwde vrouw kan zonder bijstand van haren man niet tot bewaarster van in executoriaal beslag genomen goederen worden aangesteld. — Rechtb. 's-Gravenhage 23 Februari 1909 ; j W. 8855; W. v. Not. 200. (Zie no. 323 Deel I.)

73. „Akte" in art. 163 B. W. beteekent „rechtshandeling". De zin van „bijstand in de akte" kan alzoo geen j andere zijn dan deze, dat de vrouw in de verrichting zelve van eenige door haar beoogde rechtshandelingen door haren man wordt bijgestaan. Dit moet geacht worden geschied te zijn, wanneer de man eene schuldbekentenis der vrouw te zijnen behoeve aanneemt. — Hof Amsterdam 4 Februari 1910; W. 9019. (Zie nos 313—315 Deel I.)

74. „In de akte" in art. 163 B. W. kan geen andere beteekenis hebben dan „bij de rechtshandeling". — Hof's-Gra- i venhage 14 April 1913; W. v. N. R. 2278.

75. Een man, die aan zijne vrouw eene algemeene volmacht gaf, kan later j niet de nietigheid der krachtens die volmacht verrichte handeling beweren op grond, dat de vrouw had gehandeld zonder den vereischten bijstand des mans. — Rechtb. Maastricht 2 .Juni. 1910; W 9141.

76. In art. 163 B. W. wordt niet vereischt eene in eene schriftuur opgenomen deelneming van den man Het is volgens dat artikel voldoende, dat de man zijn toestemming geeft tot de door de vrouw te verrichten handeling, ingeval hij daarbij tegenwoordig is. — H. R. 9 December 1910, concl. conf.; W. 9111; W. v. N. R. 2155; W. v. Not. 284; N R. CCXVI, 219.

77. Het is geen vereischte, dat van

den bijstand en de machtiging van de vrouw door den man in de van de betrokken handeling opgemaakte akte melding gemaakt wordt. Ook als dit niet het geval is, zal degene, die het bestaan van machtiging en bijstand beweert, tot het bewijs dier bewering moeten worden toegelaten, zonder van zijne tegenpartij het bewijs van het niet bestaan er van te kunnen vorderen. — Rechtb. Amsterdam 10 Juni 1912; W. v. N. R. 2232.

Art. 164.

78. Prof. mr. Paul Scholten. Aansprakelijkheid voo'r huishoudelijke uitgaven. — W. v. N. R. 2070 en 2071.

79. De aansprakelijkheid van den man voor de schulden der vrouw, voortspruitende uit art. 164 B. W. vervalt, wanneer de vrouw tegen den wil des mans de samenwoning heeft gestaakt. — Kantong. Amsterdam II 29 Januari 1906; W. 8992. (Zie no. 336 Deel I.)

80. De stelling, dat, als een gehuwde vrouw elders dan haar man woont, zij eene huishouding heeft opgezet en ook

voor de uitgaven dezer liuishoucung art. 164 B. W. geldt, is in hare alge¬

meenheid onjuist; in elk bijzonder geval zal naar de omstandigheden moeten worden beslist welke de oorzaak van zulk een elders verblijf houden is en of dit plaats heeft met of zonder toestemming of goedvinden van den man. Is dit laatste het geval, dan moet ook voor de uitgaven der afzonderlijke huishouding van de vrouw de veronderstelde bewilliging des mans worden aangenomen. — Rechtb. Amsterdam 29 Mei 1907; W. 8764; W. v. Not. 184. (Zie nos. 332-336 Deel I.)

81. Het begrip „huishouding" in de

Sluiten