Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vraag of de echtelieden al of niet in gemeenschap gehuwd zijn, is dus voor die aansprakelijkheid van geen belang.

— Kantong. Rotterdam 9 Maart 1908; W. 8760; W. v. Not. 173.

90. De gehuwde vrouw kan voor de in art. 164 B. W. omschreven verbintenissen in persoon worden aangesproken, daar zij die verbintenissen aangaande „niet geacht moet worden op te treden als lasthebster van haren echtgenoot, die door haar vertegenwoordigd wordt, doch voor zich zelve, als zijnde van de beide echtgenooten de aangewezen persoon om zich met de dagelijksche zorg van de huishouding te belasten".

— Rechtb. 's-Gravenhage 14 November 1911; W. 9273; W. v. Not. 340.

91. Uit art. 164 B. W. volgt niet, dat de vrouw de daar bedoelde machtiging slechts zou hebben voor uitgaven ten behoeve van het gemeenschappelijk huishouden, —r Rechtb. 's-Gravenhage 14 November 1911 ; W. 9273 ; W. v. Not. 340.

92. De bewilliging van den man in dit artikel en in het algemeen, waar het betreft het aangaan van gemeenschapsschulden, beteekent, dat de man de vrouw machtigt om die schulden voor de huwelijksgemeenschap, dat is dus voor hem, aan te gaan. Die schulden binden de huwelijksgemeenschap, niet de vrouw persoonlijk. Na ontbinding der gemeenschap is de vrouw ook slechts voor de helft aansprakelijk, ook wat betreft de door haar aangegane huishoudelijke schulden. Uit de geheele wettelijke regeling van het huwelijksgoederenrecht vloeit voort, dat dit recht niet slechts de echtgenooten aangaat. Derden hebben niet slechts te maken met den man of de vrouw met wie zij handelden. — Hof 's-Gravenhage 24 Februari 1913; W.

9527; W. v. N. R. 2259 (met verniet. Rechtb. aldaar 5 December 1911 ; W. 9527.)

93. Zelfs bij uitsluiting of beperking der gemeenschap van goederen bindt de vrouw, handelende krachtens art, 164 B. W., zoowel zich zelve als den man. Het artikel stamt uit het oud-Hollandsch recht, waar zulks evenzeer het geval was, als zijnde huishoudelijke schuld gemeenschapsschuld.

Verschaffing van kleeding aan de leden van het gezin behoort tot de gewone en dagelijksche uitgaven der huishouding. — Rechtb. 's-Gravenhage 10 Maart 1913 ; W. 9473 ; W. v. N. R. 2264; W. v. Not. 406.

94. M. Oppenheimer. De aansprakelijkheid voor huishoudelijke schulden. (Naar aanleiding van de uitspraken Rechtb. en Hof 's Gravenhage vermeld onder nos. 92 en 93. S. meent, dat hoewel de schuldeischer streng juridisch het recht heeft de. vrouw voor de helft aan te spreken, het met den feitelijken toestand in overeenstemming geacht moet worden, den crediteur te vergunnen het geheel van den man te vorderen.) — W. v. Not. 429.

Art. 1(55.

95. Een curator, die namens zijne gehuwde curanda eene rechtsvordering wenscht in te stellen, behoeft wel rechterlijke machtiging, maar niet de machtiging of bijstand van den man der curanda. — Rechtb. Amsterdam 19 Februari 1908; W. 8841.

96. Een gehuwd man, alleen in rechten verschijnende tot bijstand en machtiging zijner vrouw, staat persoonlijk geheel buiten den gevoerden rechtsstrijd en moet dus ook, zoo hij ook persoonlijk

Sluiten